Brief van de maand juni/juli 2011

'Ik heb een heel mooi apie voor haar gehad' Beschaafde omgangstaal: apie of aapje?

Kuhnert, 1927: Dwergmeerkat

Kuhnert, 1927: Dwergmeerkat

Dat het postverkeer over zee in de achttiende eeuw soms wat problematisch verliep, lijdt geen twijfel. In veel brieven vinden we gemopper, want waarom schrijft de ander toch niet? Zo’n soort klacht vinden we wel heel speels verwoord in een brief uit januari 1781 van Maria Le Jeune-Huurman. Vanuit Sint-Eustatius schrijft zij op schertsende toon aan haar zus Margo in Amsterdam:

Al weer een brief sonder dat hy di[e]nd tot antwoor[d] op uE misieve. Margo, Margo, wat bind gy stouyt, wat moit [moet] ik dinke [denke] dat ik geen tyding van u hoor. Gy bind den heele dag met de pen in de hand en daar sckiet geen een reegel voor myn over […] Te voore sond gy myn nog cranten, comedy, post-ryders [maandblad] of eenige andere boeken, ook eenige ingelyd [ingelegde] groente of i[et]s van Eropa, maar tans is het spit af [nu is het mis].


Maria laat zich echter niet kennen, zij zal geen 'kwaat met kwaat vergelden' en stuurt haar zuster toch wat presentjes: oorringen voor het nieuwe jaar, een hondje om zich mee te amuseren en een kelder (kistje met flessen) rum om vrolijk van te worden. Dat veel post in verkeerde handen viel, zal destijds beslist voor nogal wat onbegrip tussen vrienden en familieleden hebben gezorgd. Helaas voor Maria en Margo is ook deze brief met inhoud - oorringen, een hond en heel wat rum - in handen van Engelse kapers gevallen.  


Benjamin Marshall, 1804: Famous Bull and Terrier Dustman

Benjamin Marshall, 1804: Famous Bull and Terrier Dustman

Met deze brief wordt een hond per schip naar Amsterdam gestuurd en dat was voor ons een verrassing. Regelmatig komen we in brieven verzoeken om aapjes en papegaaien tegen, maar kennelijk werd er ook vanuit de Republiek om hondjes gevraagd.  Het hondentransport verliep trouwens vice versa, want verderop in de brief blijkt dat Maria zelf ook vanuit Amsterdam een hond heeft ontvangen. Dat zal vast een waakhond geweest zijn, want zij geeft hem de naam 'wagter'. Het was ook nog de bedoeling dat er een 'apie' [aapje] naar huis gestuurd zou worden voor Margo's dochter Hansie, maar dat is overleden nadat het een half uur in de zon heeft gestaan. Daar kunnen sommige aapjes niet tegen… Het is jammer, want dat 'apie' was 'een van de moeyste daer bekend syn, […] en had een staart van een el [rond de 70 cm] lang, en met gesigt dat veel na een c[h]inees geleek'. We vinden trouwens nog meer dierenleed in deze brief: Maria's 'moeye hartte besie [een soort hert]' is dood gebeten door twee honden van de buren.


Het taalgebruik van Maria Huurman

Apie, hondie, Hansie, harttebesie, susie, kusies: wie de transcriptie van Maria's brief leest, ziet dat zij consequent verkleinwoorden gebruikt die eindigen op –ie. Dat is een verkleinvorm die we tegenwoordig nog wel in spreektaal horen, maar die we niet zo snel op zullen schrijven, omdat het naar onze huidige normen geen beschaafd Nederlands is. Voor we nu de conclusie trekken dat deze verkleinvorm eind achttiende eeuw blijkbaar wél geaccepteerd was in schrijftaal, slaan we er wat grammatica's op na. Hoe dacht men er eigenlijk over in Maria's tijd? In die grammatica's wordt deze ie-variant echter niet genoemd en verkleinwoorden van het type apie en kusie komen ook niet of nauwelijks voor in gedrukte teksten. De achttiende-eeuwse norm lijkt dus opvallend veel op de onze: je schrijft niet apie, maar aapje! Aangezien Maria alleen maar deze ie-vorm gebruikt, zal het voor haar een gewone verkleinvorm zijn geweest die zij in spreektaal, maar ook in de schriftelijke omgangstaal met haar zus kan gebruiken.  

Deel van een briefblad met daarin omkaderd verkleinvormen en het persoonlijk voornaamwoord 'myn'

Deel van een briefblad met daarin omkaderd verkleinvormen en het persoonlijk voornaamwoord 'myn'

Hetzelfde geldt voor Maria's variatie tussen mij en mijn, zij schrijft: 'daar is myn een ander belooft', 'schryft myn so wat ter van', 'geeft haar 1000 kusies voor myn' etc. Al in de zeventiende eeuw was dit gebruik van mijn gestigmatiseerd en de vertalers van de Statenbijbel (1637) schrijven het zelfs toe aan het lagere volk. Maria legt desalniettemin een duidelijke voorkeur voor mijn aan de dag, want we komen het elf keer tegen in haar brief, tegenover slechts twee keer mij. Behoorde Maria dan misschien tot het lagere volk? Dat kunnen we snel ontkrachten: Maria is getrouwd met Alexander Le Jeune die als secretaris van de West Indische Compagnie (WIC) op Sint-Eustatius werkt. De man van haar zuster Margo is Mr. Jan Frederik Berewout, bewindhebber van diezelfde WIC. Dit echtpaar heeft op 7 augustus 1776 in Amsterdam hun dochter Johanna Frederica laten dopen, de Hansie voor wie het aapje bestemd was. We verkeren dus bij zowel briefschrijfster als geadresseerde in de hogere kringen van de achttiende-eeuwse Republiek en daarmee geeft Maria's brief ons een inkijkje in hun taalgebruik. En zoals blijkt, is dat lang niet altijd het gestandaardiseerde Nederlands. Het Brieven als Buit-corpus biedt dan ook niet alleen voor het eerst inzicht in het taalgebruik van mensen uit de lagere en middenklassen, maar het werpt ook nieuw licht op de omgangstaal in de hogere kringen.

De brief van Maria Le Jeune-Huurman bevindt zich in HCA 30-348. Een eerste transcriptie werd binnen Wikiscripta Neerlandica gemaakt door Roland de Bonth. De toelichting bij deze brief van de maand werd verzorgd door Tanja Simons.

 

Laatst Gewijzigd: 20-06-2011