Geschiedenis

De geschiedenis en huidige situatie van de opleiding Chinastudies

Inleiding

De aard van de opleiding Chinastudies is sinds haar oprichting in 1874 behoorlijk veranderd. Tot het einde van de 1960er jaren was de studie Chinees in sterke mate georganiseerd rond de professoren. Hiernaast waren er misschien wat taaldocenten, soms een lector of een bijzonder hoogleraar, maar verder was de hoeveelheid staf uiterst beperkt. De grote groei van de opleiding dateert vanaf de late jaren zestig, met de oprichting van het Documentatiecentrum voor het huidige China in 1969 en de aanstelling van steeds meer staf naast de hoogleraren voor allerlei deelgebieden van hun leeropdrachten. Recente aanwinsten zijn een hoogleraar exclusief voor de studie van het moderne China, een universitair docent speciaal voor de studie van de kunst en materiële cultuur van China, en een voor de Chinese economie.

De opleiding is altijd sterk op de praktijk van het contact met China en met Chinezen gericht geweest, al was die praktijk vroeger natuurlijk een heel andere dan tegenwoordig. Totdat Indonesië onafhankelijk werd, werden hier in Leiden vooral ambtenaren opgeleid om in Indië voor het koloniale bestuur of in onze buitenlandse dienst te gaan werken. Onze alumni werken vanouds niet alleen in de wetenschap (universiteiten van Leiden, Groningen, Amsterdam [UvA en VU], Oxford, Warwick, London, Leuven, Toronto, Harvard, Princeton, Chicago, Taipei, Hong Kong) maar zijn ook te vinden in allerlei overheidsfuncties, in het bedrijfsleven en in de uitgeverij.


Een korte geschiedenis van het Chinees studeren in Leiden

Sinds 1846 was de Duitser J.J. Hoffmann als leraar Japans en Chinees in Leiden actief, vanaf 1855 in de rang van professor. Hij werd de leraar van Gustaaf Schlegel (1840-1903), die al als jongen van negen bij hem begon de klassieke schrijftaal van China te studeren. Schlegel zou elf jaar als tolk voor het koloniale bestuur in Nederlands Indië werken. Als uitvloeisel van zijn werkzaamheden publiceerde hij in 1866 zijn eerste grote studie, een grondige en nog steeds bruikbare vertaling van rituele handboeken van de Triaden. Pas in 1874 werd een leerstoel alleen voor het Chinees ingesteld, waarop in 1875 Schlegel werd benoemd (vanaf 1877 als gewoon professor). Zijn taak was uiterst praktisch: het opleiden van tolken voor het koloniaal bestuur. Toch zou hij een eerste begin maken met het opzetten van een institutionele basis voor de wetenschappelijke studie van China, naast gewoon wetenschappelijk onderzoek ook door het samenstellen van een Nederlands-Chinees woordenboek (en wel de plaatselijke taal van Zhangzhou, die ook door de Chinezen in Nederlands-Indië vaak werd gesproken), het trainen van zetters van Chinese karakters in Nederland (bij Brill in Leiden, lange tijd de enige uitgever buiten Azië die in staat was Chinese karakters in een Westerse tekst te integreren), en het oprichten van T’oung Pao (in 1890, samen met de Franse China-kenner Henri Cordier, het eerste wetenschappelijke tijdschrift voor de sinologie.. Dit tijdschrift is nog steeds een van de belangrijkste sinologische tijdschriften ter wereld (het werd traditioneel gezamelijk door twee hoogleraren uit Parijs en Leiden geredigeerd; deze traditie is in het begin van de 21ste eeuw gediscontinueerd). Andere tolk-vertalers, opgeleid in Leiden en uitgezonden naar Indië, waren evenals Schlegel naast hun gewone werk actief in de studie van China (zoals recht, taal, en maatschappelijke gewoontes), met als doel de Chinezen in Nederlands Indië beter te kunnen begrijpen en besturen.

In 1890 werd een briljante leerling van Schlegel, Jan Jacob Maria de Groot (1854-1921), benoemd tot hoogleraar in de etnologie van Nederlands Indië. Na de dood van Schlegel in 1904 nam hij met tegenzin diens leerstoel over. Ook de Groot was zijn loopbaan begonnen als tolk voor het Nederlandse bestuur in Nederlands Indië. Hij is beroemd geworden als de auteur van talloze werken over de Chinese religieuze cultuur, maar heeft ook over de Hunnen in China een belangrijk boek gepubliceerd. Hij is beroemd als eerste puur wetenschappelijke veldwerker in het China van de late negentiende eeuw die geen deel uitmaakte van de Christelijke missie of zending. Juist de Groots precieze veldwerk maakt zijn verder nogal gedateerde onderzoek tot op de dag van vandaag van groot belang, vooral omdat dat wat hij in detail beschreef inmiddels vaak is verdwenen. In 1912 aanvaardde hij een professoraat in Berlijn, waarna de leerstoel in Leiden een aantal jaren open bleef staan.

Ook de uiteindelijke opvolger van de Groot, diens leerling J.J.L. Duyvendak (1889-1954) werkte eerst als secretaris-tolk bij het Nederlands Gezantschap (de ambassade) in Peking. Hij had nooit gewerkt als tolk in Nederlands Indië en met hem zou de belangstelling van de sinologie in Nederland meer naar China zelf - in heden en verleden - verschuiven. Hij was door zijn verblijf in Peking in contact gekomen met de nieuwste ontwikkelingen in China op teksthistorisch gebied en heeft deze kennis in het Westen doorgegeven. Hij is bekend als de auteur van wetenschappelijke vertalingen (onder meer van de Daodejing) en verschillende werken voor een breder Nederlandstalig publiek. Bovendien heeft hij in 1930 het Sinologisch Instituut opgericht, eerst los van de Universiteit Leiden, maar later als onderdeel ervan. Belangrijk voordeel hiervan was dat een eigen sinologische collectie onder leiding van een eigen bibliothecaris kon worden opgebouwd, waarvan de studie van China binnen Nederland nog steeds profiteert.

Toen Duyvendak in 1954 overleed, werd hij in 1956 door A.F.P. Hulsewé (1910-1993) opgevolgd (die al sinds 1947 lector voor het Modern Chinees was). Ook deze was zijn loopbaan in dienst van het Nederlandse bestuur in Indië begonnen, en had de oorlog als krijgsgevangene van de Japanners doorgebracht. Hij is internationaal bekend geworden als expert op het gebied van het recht van de Qin en Han dynastieën (rond het begin van onze jaartelling). Zijn vertalingen op dit gebied gelden nog steeds als standaardwerken. Hulsewé werd in 1976 opgevolgd door W.L. Idema (1944). Deze is in 1999 aan de Universiteit van Harvard benoemd, maar heeft in zijn Leidse tijd grote vermaardheid verworven als specialist op het gebied van het traditionele Chinese theater en als vertaler van klassieke Chinese literatuur naar het Nederlands. Hiervoor heeft hij de Nijhoff-prijs gekregen. Inmiddels is er een grote groep vertalers uit het Chinees actief, vooral op het gebied van de moderne Chinese literatuur. Idema is in 1999 opgevolgd door M. van Crevel (1963), een specialist op het gebied van de moderne Chinese letterkunde en tevens vertaler van moderne Chinese poëzie. In 1961 werd de oude leerstoel koloniale geschiedenis omgezet in een leerstoel voor de geschiedenis van China, in het bijzonder het contact tussen China en het Westen. Deze leerstoel werd bezet door E. Zürcher (1928-2008), een groot specialist op het gebied van de contacten tussen China en het Westen, met name de komst van het Boeddhisme en later ook het Christendom naar China. Hij is in 1980 het Chinavision-project gestart, een gigantische database van beeldmateriaal over China. Na zijn emeritaat in 1993 is hij opgevolgd door de Frans-Nederlandse sinoloog K.M. Schipper (1934), een specialist op het gebied van het Daoïsme, zowel de nog steeds levende religieuze stroming als de filosofie van Laozi. Hij is in 1999 met emeritaat gegaan en in 2000 opgevolgd door B.J. ter Haar (1958). Deze heeft zich bezig gehouden met de geschiedenis van religieuze groepen en hun waarneming in het oude en modern China, en met het ritueel en de mythologie van de Chinese Triaden. Hiernaast is hij geïnteresseerd in thema's als geletterdheid (en analfabetisme), geweld, (perceptie van) minderheden en plaatselijke goden. Ter Haar is in 2013 overgestapt naar Oxford en is in dat jaar opgevolgd door H.G.D.G. De Weerdt. Zij houdt zich onder veel meer bezig met de organisatie van kennis en de (ontwikkeling van) technieken waarmee kennis in keizerlijk China werd verspreid en opgeslagen.

Op persoonlijke titel zijn in de 1980er jaren ook anderen tot hoogleraar benoemd, zoals A. Saich (het moderne China, inmiddels hoogleraar aan de Universiteit van Harvard), James Liang (Chinese taalkunde, inmiddels met emiritaat), en in 2009 R.P.E. Sybesma Chinese taalkunde). In 2000 is voorts een vaste hoogleraar voor het moderne China benoemd, de Duitse China-historicus A. Schneider (1962). Hij houdt zich met name bezig met de twintigste eeuwse moderne Chinese historiografie. Het belang van deze aanstelling is dat hiermee het moderne China een eigen leeropdracht heeft gekregen. Een fundamenteel uitgangspunt van deze hoogleraar is overigens dat de studie van het moderne China niet beperkt mag zijn tot het volgen van de dagelijkse gebeurtenissen in China, maar dat wat in China gebeurt steeds moet plaatsen binnen de grotere context van heden en verleden. In 2009 is hij vertrokken naar de Universiteit van Göttingen. De lege plek die toen ontstond is in 2010 gevuld door F.N. Pieke. In datzelfde jaar is ook P.S.H. Ho aangesteld, als hoogleraar voor Chinese economie en ontwikkeling; Ho is inmiddels vertrokken naar Peking en Delft. Hoewel op zijn plaats niet een nieuwe hoogleraar is benoemd, is er nu wel een structurele positie voor de Chinese economie.

Recente literatuur

  • Leonard Blussé, "Of Hewers of Wood and Drawers of Water: Leiden University's Early Sinologists (1835-1911), in: Willem Otterspeer ed.,Leiden Oriental Connections, 1850-1940 (E.J. Brill/Universitaire Pers Leiden, 1989), pp.312-353 geeft een gedetailleerd overzicht van de vroegste geschiedenis van de studie van China in Leiden.
  • Wilt Idema, red., Chinese Studies in the Netherlands: Past, Present and Future. Leiden, Brill, 2014.
  • Jonathan A. Silk, ed., Buddhism in China: Collected Papers of Erik Zürcher. Leiden, Brill, 2014.
  • R.J. Zwi Werblowsky, Edited by Hartmut Walravens, The Beaten Track of Science: The Life and Work of J.J.M. de Groot (Asien- und Afrika-Studien 10 der Humboldt-Universität zu Berlin; Harrassowitz Verlag, Wiesbaden, 2002)

Laatst Gewijzigd: 27-01-2014