Brief van de maand oktober 2011

Het gekaapte schip van Heinrich Rode

De brieven die Heinrich Rode in oktober en november van het jaar 1666 stuurt naar zijn baas Arnout van der Beke en zijn vriend Joan Reijnmarter prikkelen de nieuwsgierigheid om verschillende redenen. Eerst en vooral zijn ze bijzonder omdat Heinrich ze schrijft in Engeland, waar hij noodgedwongen zit te wachten tot de rechtbank een beslissing neemt over zijn gekaapte schip. Terwijl Arnout en Joan in Londen proberen te bemiddelen, past Heinrich in het kuststadje Plymouth op het schip. De mannen zullen nog een tijdje geduld moeten hebben, want uit Heinrichs brief blijkt dat de rechtbanken in Londen vakantie houden en dat de zittingen pas opnieuw van start zullen gaan in februari. Heinrich vreest dat het nog minstens tot maart zal duren voor er een uitspraak is.

Twee schepen voor anker, Andries van Eertvelt

Twee schepen voor anker, Andries van Eertvelt

Storm!

In de tussentijd heeft Heinrich het maar druk met zijn schip; zeker wanneer de Engelse kust geteisterd wordt door een storm eind november. Heinrich beschrijft in zijn brief naar Joan hoeveel moeite het hem gekost heeft om het schip voor onheil te behoeden. Toen de wind op 28 november opstak, liet Heinrich het plechtanker vallen. Van dit anker, dat altijd klaar ligt op de voorsteven van een schip om als laatste redmiddel gebruikt te worden, brak echter een arm af, zodat Heinrich zich genoodzaakt zag het weer op te halen. Op 30 november was de wind toch zo krachtig dat het schip afdreef en dreigde op de klippen te raken. Heinrich moest om één uur ’s nachts bij een Engelsman aankloppen om nieuw touw en een anker te lenen. Door de gunstige windrichting werd het schip van de ondergang bewaard, maar het werd wel zwaar beschadigd. Heinrich schrijft:

“Mein bott is Jn stucken mitt dise Weders. Daer is de voorsteuen v[i]t. Jck moet het noetsacklick laeten macken.”

Een vals schelmenstuk

Het tweede bijzondere element aan deze brieven is dat ze een spannend verhaal vertellen. De zaak van het gekaapte schip is niet zomaar het zoveelste op rij. Heinrich schrijft immers dat er iemand de boel probeert te belazeren en dat hij beschikt over een belangrijke getuige. Een Engelse kapitein Weer heeft hem verteld dat een zekere reder Hobs met listen zou willen proberen om Heinrichs schip als “prijs” (de term gebruikt voor een terecht gekaapt schip) te krijgen. Heinrichs schip vaart waarschijnlijk onder Zweedse vlag, zoals blijkt uit een aantekening van de Engelsen op de achterkant van zijn brief. De naam van het schip lijkt ‘Lycka’ te zijn, wat zoveel zou betekenen als de wens “Veel geluk!” Aangezien de Engelsen in 1666 niet in oorlog zijn met Zweden, mag het schip niet gekaapt worden. Maar Hobs wil het schip en haar lading zo graag hebben dat hij zelfs vlaggen van andere naties en valse papieren in het schip zou willen laten verbergen als bewijs dat het toch vijandig is. Heinrich schrijft verontwaardigd:

“Noch ben Ick gewaarschout dat sij Int sin hebben (van plan zijn) false briuen Int schip sullen Brengen en dat dan sal gevisentirt (gevisiteerd) Woorden om daar door het schip preis te macken. Ick sal dan noch Weel [e]en O[o]ch Int seil houden, ma[a]r Wien hefft van sein Leuedage (levensdagen) sodanigen Valsen schelmstuck gehoort”


'Als schelmen en dieven kwaad worden...'

Het voorblad van een Duits spreekwoordenboek van Sebastian Franck

Het voorblad van een Duits spreekwoordenboek van Sebastian Franck

Omdat kapitein Weer stellig alles gezworen heeft in het bijzijn van drie andere mannen en daarenboven nog bereid is om onder ede voor een commissie te getuigen, gelooft Heinrich hem. Hij raadt zijn vriend Joan aan om de man als getuige in het proces over de kaping van het schip op te roepen. Misschien kunnen ze op deze manier verhinderen dat het schip en haar lading hun definitief wordt afgenomen. Er is hoop volgens onze briefschrijver, want in het kamp van de tegenstander lijken strubbelingen te ontstaan en dat schept kansen:

“Ick hope [dat het] sal noch [zover] Comen alst gemene (bekende) spreckwort seeit: Wan[neer] schelmen en di[e]uen quat (kwaad) Woorden, soo Kan [e]en E[e]rlick man sein gudt (eigendom) Weer (terug) Kreigen”

Heinrichs spreekwoord lijkt in het Nederlands niet te bestaan, maar het lijkt wel sterk op het Duitse “Wenn sich zwei Diebe schelten, so kriegt ein ehrlicher Mann seine Kuh wieder” (‘Wanneer twee dieven ruziemaken, dan krijgt een eerlijke man zijn koe terug.’) En zo zijn we bij het derde interessante punt in Heinrichs brieven aangekomen: het taalgebruik.


Nederlands met een vleugje Duits

Het zal de opmerkzame lezer niet zijn ontgaan dat het Nederlands van Heinrich bijzonder is. Het doet namelijk sterk aan het Duits denken. Zo gebruikt Heinrich slechts een enkele keer een lange ij, maar schrijft hij heel vaak een korte ei (‘mein’, ‘sein’). Hij spelt u waar we oe zouden verwachten (‘gudt’ in plaats van ‘goed’). Hij schrijft ‘wan’ in plaats van als’ of ‘wanneer’. En dan gebruikt hij nog eens een spreekwoord dat een Duitse achtergrond heeft. Al deze zaken in beschouwing genomen, moeten we concluderen dat Heinrich waarschijnlijk oorspronkelijk uit een gebied kwam waar Duits de voertaal was.

Het gebeurt wel vaker dat we brieven met een Duits kleurtje vinden in ons corpus. Dit komt omdat Nederland in de zeventiende eeuw een grote toestroom van immigranten uit onder andere Duitstalige gebieden kende. De republiek bloeide en maakte een enorme economische groei mee en dit trok natuurlijk werklustigen uit andere streken aan. Zo groeide de bevolking van de stad Amsterdam tussen 1600 en 1650 van 50.000 mensen tot 200.000 mensen. En bijna de helft van die bevolking zou bestaan hebben uit immigranten. Of Heinrich zich ook permanent gevestigd had in de Nederlanden, weten we niet met zekerheid. Het is ook mogelijk dat hij in een ander gebied woonde, maar Nederlands geleerd had om vlot te kunnen communiceren met mogelijke handelspartners. Omdat de Nederlanden het zo goed deden, was Nederlands in de zeventiende eeuw immers een niet onbelangrijke handelstaal.

In ieder geval kon Heinrich zich goed verstaanbaar maken in zijn tweede taal. Goed genoeg althans om zijn grote verontwaardiging over een aperte schelmenstreek duidelijk te maken.

Een stukje uit Heinrichs brief met het spreekwoord

Een stukje uit Heinrichs brief met het spreekwoord

Voor meer informatie over migratie in Nederland door de eeuwen heen, zie www.vijfeeuwenmigratie.nl

De brieven van Heinrich Rode bevinden zich in doos HCA 30-783. De eerste transcripties werden gemaakt door Hetty Krol. De toelichting bij deze brief van de maand is van Judith Nobels.

Laatst Gewijzigd: 30-09-2011