Brief van de maand mei 2011

Kibbelende Zeeuwen: verschillende kanten van hetzelfde verhaal

De luiheid: een gravure van Jacob Matham

De luiheid: een gravure van Jacob Matham

Op 10 december 1664 schrijft Simon Aartsz een brief naar zijn vrouw Janneke in Vlissingen. Hij bevindt zich op dat moment in Basseterre op het eiland Sint-Christoffel, dat nu bekend staat als Saint-Kitts, om handel te drijven. Simon klaagt steen en been. Gelukkig is hij zelf nog gezond, maar voor de rest gaat werkelijk alles mis. Zijn vrouw heeft beloofd om goederen te sturen, maar tot nu toe heeft hij niets gekregen. Blijkbaar waren het dus alleen maar mooie praatjes, is zijn boze conclusie. Bovendien is Simon van plan om de handel zo snel mogelijk op te doeken en terug naar huis te komen, want hij voelt zich tegengewerkt. Hij schrijft dat hij bespioneerd wordt en zal zijn vrouw het hele verhaal wel mondeling uit de doeken doen. Simon sluit zijn brief af met de wens heel snel terug te keren naar zijn vrouw en dochters thuis.


Luiheid

Onze koopman lijkt in niemand nog vertrouwen te hebben, niet in het minst in zijn personeel. Dat blijkt uit een deel van zijn brief dat besteed is aan gemopper over een knecht of assistent die door Simon ‘Been’ genoemd wordt. Als we Simon moeten geloven, is deze man aartslui:

“Desen Been, aij (hij) is schier te lou (lui) dat hij voort ghet (gaat, stapt). Ende [hij] loopt altijd mest met ghten (gaten, zweren of wonden) in sijn benen ende hij ghet (gaat, stapt) of hij de lenden om stijcken gesmeten waert (alsof zijn lendenen aan stukken gegooid zijn, traag) als ick hene (hem) aevers (ergens) naer toe sende.”

Volgens Simon is Been lui, ziekelijk en veel te traag. Hij heeft zo een afkeer van zijn langzame assistent, dat hij hem liever kwijt dan rijk is. Simon moet van Been niets meer weten en zweert bij hoog en bij laag hem nooit meer mee te nemen op reis. Ja, zelfs al zou de oom van Been – die een handelspartner van Simon is en zijn neefje blijkbaar aan een goede post heeft geholpen bij Simon – hem 50 gulden per maand betalen alleen maar om die nietsnut mee te nemen, schrijft Simon toornig, dan zou hij er nog voor bedanken!

Dronkenschap

Dronkenschap: drinkende Bacchus (Guido Reni)

Dronkenschap: drinkende Bacchus (Guido Reni)

Als we deze klachten over Been horen, dan lijkt de man in kwestie inderdaad niet zo geschikt voor het handelsvak. Maar misschien moet ons oordeel over de luie assistent opgeschort worden, want er is ook een andere kant aan het verhaal. In december 1664 werd er nóg een brief verstuurd uit Basseterre naar Vlissingen. Deze is van de hand van Jacob Been die – zoals zijn achternaam aangeeft – de vervloekte helper van Simon Aartsz is. En zijn brief naar zijn oom werpt een heel ander licht op de situatie.

Jacob waarschuwt zijn oom dat Simons gedrag met de dag verergert en dat hij het niet langer kan verdragen om nog bij de man in huis te wonen. Hij doet een boekje open over zijn baas en wat hij te vertellen heeft is niet lovend: Simon Aartsz. zou een scheldende dronkenlap zijn die te beroerd is om zijn zaken zelf af te handelen. Terwijl Jacob voor hem gaat werken, blijft Simon thuis zitten drinken. En dat hij een kwade dronk heeft blijkt uit het feit dat hij Jacob al herhaaldelijk heeft uitgescholden wanneer die van het werken terugkwam. Bovendien zou Simon ‘schorfde comijesse’, goederen van bedenkelijke kwaliteit, aankopen en ook nog eens suiker verkwanselen die bestemd is voor Jacobs oom. Is Simon Aartsz. wel geschikt voor het werk? Volgens Jacob niet. Hij schrijft zijn oom dat diens zaken al allemaal netjes afgehandeld zouden zijn als hij en niet Simon ‘meester’ was geweest.


De aanvaring

Jacob beschrijft verder in zijn brief een incident dat misschien verklaart waarom Simon Aartsz. hem in de brief naar zijn vrouw een luie donder noemt. Het is Jacobs taak om de schuldenaren van Simon te gaan ‘manen’. Hij moet deze mensen bezoeken en geld opeisen. Wanneer hij op een dag terugkomt van zijn ronde en vergeten is bij iemand langs te gaan, wordt hij nog maar eens uitgescholden door een dronken Simon. Jacob vertelt hoe de ruzie verlopen is:

“En als (toen) ick thuis gecomen zijn (was), soo hebbe [ik] een scaeldinge (strenge berisping, scheldkanonnade) gecregen. Waerom? Om dat hij (Simon) dronckijgh was en [ik] hadde tot een mans vergete te gaen alzoo (omdat) hij (de vergeten man) niet op de bouck en stondt. En hij (Simon) heeft geseght: ghij sult er in maendagh weer nae[r] toe gaen. Ende [ik] hebbe hem tot antwoorde gegeve dat hij d[a]er selver nae[r] toe zoude gaen alsoo (aangezien) hij een p[a]ert heeft.”


Jacob verklaart zijn weigering om de vergeten persoon zelf weer te gaan opzoeken: de weg die hij voor dit bezoek zou moeten afleggen is niet gemakkelijk. Het is niet alsof je van Vlissingen naar het nabijgelegen gehucht Souburg (2 kilometer verder) zou gaan over de tussenliggende weitjes, schrijft hij verontwaardigd, maar alsof je van Vlissingen naar Domburg (13 kilometer verderop) zou moeten wandelen. Dat kan Simon zelf sneller te paard, vindt Jacob.

Mondelinge onenigheid, talige overeenkomsten

Uit het bovenstaande is duidelijk geworden dat de brieven van Simon en Jacob inhoudelijk erg verschillen. Maar hoe anders Simon en Jacob ook waren, toch deelden beide mannen iets. Beide brieven bevatten immers spellingen die typisch zijn voor Zeeland. Zo staat er ‘a’ waar je in het woord ‘h’ zou verwachten en omgekeerd ook ‘h’ waar toch zeker ‘a’ zou moeten staan. Zo stuurt Simon een brief aan zijn ‘auijsvrouwe’ in plaats van aan zijn ‘huijsvrouwe’ en schrijft hij verder ‘ghten’ en ‘ghen’ in plaats van ‘gaten’ en ‘gaen’. Ook zijn assistent Jacob Been laat de ‘h’ verschijnen op onverwachte plaatsen (zie foto): hij belooft om met de ‘nheste’ (volgende) schepen nog een brief te sturen in plaats van met de ‘naeste’ schepen. Ook laat hij zijn oom de groeten doen ‘haen’ alle vrienden, maar hij bedoelt vast en zeker ‘aan’.

Simon Aartsz. en Jacob Been mogen elkaars bloed dan wel kunnen drinken en heel verschillende verhalen naar huis sturen, er is toch iets waarin ze tegen wil en dank overeenkomen: hun afkomst. Ze zijn beiden Zeeuwen en dat zie je duidelijk aan hun brieven.

De brief van Jacob Been met twee vreemde spellingen onderlijnd

De brief van Jacob Been met twee vreemde spellingen onderlijnd

De brieven van Simon Aartsz. en Jacob Been bevinden zich in doos HCA 30-644. De eerste transcripties werden gemaakt door José de Bree en Puck Wijnschenk Dom. De toelichting bij deze brief van de maand is van Judith Nobels.

Laatst Gewijzigd: 27-04-2011