Brief van de maand maart 2010

‘Se staet my zeer wel aan’. Het huwelijk van D.H. Macaré en L.G.J. van Bercheyck

Dertig huwelijksaankondigingen van het bruidspaar Dirk Hendrik Macaré en Laurentia Geertruida Jacoba van Bercheyck zijn in een van de archiefdozen in The National Archives gevonden (zie het Sailing Letters Journaal II). Het aanstaande echtpaar brengt vanuit Demerary (in het huidige Guyana) familie en bekenden in Nederland op de hoogte van hun ondertrouw op 26 oktober 1780 en het voornemen om op 29 december in het huwelijk te treden. Het zijn kennisgevingen op luxe papier, gestuurd naar contacten uit de hogere kringen, voornamelijk in Zeeland, want zowel Dirk Hendrik Macaré als Laurentia van Bercheyck waren van gegoede komaf. Laurentia was een dochter van de commandeur van Demerary, Laurens Lodewijk van Bercheyk. De vader van Dirk Hendrik, Dirk Macaré (1706-1774) studeerde rechten in Leiden en werd in 1747 aangesteld als baljuw van Middelburg.


Belangrijk nieuws via een zwager

Het aardige is dat wij ook een brief van de aanstaande bruidegom hebben aangetroffen. Dirk Hendrik Macaré schreef op 26 september 1780 naar zijn zwager Mr. G.F. Meyners, de echtgenoot van zijn zus Johanna Elisabeth Macaré. Meyners woonde in Middelburg en had een hoge functie als raadsheer in het hof van Vlaanderen. Al is de brief alleen gericht aan zijn zwager, Dirk Hendrik vraagt in een postscriptum wel om de brief ook te laten lezen aan “Mama, Antje en neef Macaré”, want hij is “door veelvuldige occupaties zo[wel] in Essequebo als in Demerarij” te druk bezet om aan ieder afzonderlijk te schrijven. En hij heeft belangrijk nieuws dat hun beslist niet onthouden mag worden. Wat kreeg de familie te horen? Na de obligate mededelingen over de gezondheid komt Dirk Hendrik voor de dag met een onthulling: “ik moet Uedg. eens iets melden dat ik geloof daer Uedg. zeer over verwondert zult weezen te weeten alsdat ik vrije”. Na deze verrassende mededeling schetst hij de achtergrond van zijn aanstaande bruid.

Openhartig over beweegredenen

Dirk Hendrik meent zeer gelukkig met Laurentia te kunnen worden en benadrukt dat hij haar niet trouwt om haar geld. Hij weet ook niet zeker of er wel geld is: “ze kan veel en weinig geldt hebben, dat hangt af aan eene zaak die nog in questie is […] ik trouw om geen geldt, en zo het er bij is, was het te beeter.” Zij heeft – afgezien van haar mogelijke bruidsschat - zoveel andere kwaliteiten zoals een zeer zacht karakter. Ook is zij een goede huishoudster en dat komt prima van pas want hij wordt “op een aller schrikkelykste manier door myn meiden bestoolen” en zelf heeft hij absoluut geen verstand van huishouden. Dat alles bij elkaar betekent dat een huwelijk hem in ieder geval in dit opzicht financieel voordeel zal opleveren: “denk dat ik vrije goedkooper zal kunnen leeven getrouwt zijnde als jongman”. De allereerste reden die Macaré noemt ten voordele van een huwelijk is echter van geheel andere aard, namelijk: “dat ik niet kan leeven zoals andere heeren in Demerarij met een swerte meidt”. Kennelijk was het in de West heel gebruikelijk om als blanke man samen te leven met een zwarte vrouw, maar voelde Macaré daar niet voor.

Een heel andere stijl

Een kleine vier maanden later schreef het echtpaar Macaré-van Bercheyck naar (schoon)moeder Elisabeth Cornelia Cau, douairière van Dirk Macaré. Dirk Hendrik en Laurentia spreken de hoop uit dat “onse egtverbintenis UEdg. niet onaangenaem moge zijn”. Het vrij korte briefje, gedateerd 14 januari 1781, omvat niet veel meer dan een nieuwjaarswens. Vergeleken met de openhartige brief aan zijn zwager benadert Dirk Hendrik zijn moeder met een zekere distantie en uiterst respectvol. Hij besluit met het – in onze ogen – merkwaardige zinnetje: “dit zijn de toewenschinge van die geenen die UEdg. attentien niet langer lastig durvende vallen”. Een moeder in zo’n formele stijl benaderen; daar kijken wij beslist van op!

Vervolg

Door de niet bezorgde brieven is de familie waarschijnlijk lang onwetend gebleven over de beweegredenen rond het voorgenomen huwelijk. Dirk Hendrik, die ook rechten had gestudeerd, trad later in de voetsporen van zijn vader. Toen hij in 1785 was teruggekeerd naar Nederland, vervulde hij enige tijd de functie van baljuw van Middelburg. Hij overleed vrij jong op 36-jarige leeftijd, in 1792, en werd begraven te Serooskerke.

De besproken brieven bevinden zich in respectievelijk doos HCA 30-361, HCA 30-342 en HCA 30-350. De toelichting bij deze brief van de maand werd verzorgd door Tanja Simons.

Zie de bijdrage van Ruud Paesie in het Sailing Letters Journaal II (2009), p. 46-57, voor de bespreking van de huwelijksaankondigingen.

Laatst Gewijzigd: 11-05-2010