Brief van de maand februari/maart 2011

Geen blad voor de mond!

Pieter Talleboom is vanuit Zeeland uitgevaren naar het Caraïbisch gebied en bevindt zich in januari 1781 in Demarary, een Nederlandse kolonie in het huidige Guyana. Daar houdt hij contact met Jozef Jansen en zijn echtgenote, die zijn hospes en hospita ("slaapbaas en slaapvrouw") in Middelburg waren. Pieter blijkt het zo goed met hen te kunnen vinden dat hij heel openhartig schrijft en hun een bijzondere opdracht toevertrouwt.

Demarary en Essequibo in het huidige Guyana

Demarary en Essequibo in het huidige Guyana

Op zoek naar een jonge meid

Na de gebruikelijke frasen over zijn eigen gezondheid en die van de geadresseerden geeft hij aan waarschijnlijk tegen mei weer thuis te zullen komen. Daarop volgt het vriendelijk verzoek om voor die tijd een jonge meid voor hem te zoeken, want hij kan zijn maagdelijkheid niet langer bewaren. Die wort meij so scwaer [zwaar] dat ik het nit [niet] kan segge. Er is wel een randvoorwaarde: het meisje moet schoon en helder zijn. In Pieters woorden: niet stinkend of vuil, want daar slaapt de duivel bij, maar ik niet! Wat vervolgens zijn plannen zijn, wordt onomwonden beschreven: als geij daer een vent [vindt] de [die] schon en helder is dan wil ik har wel in har lighamkruijpe of was het soo dip als ik koome kan dan sal meijn knegt seijn best wel welle [willen] doin [doen].

Overreden door een strontkar

Pieter benadrukt zijn betrouwbaarheid tegenover zijn slaapbaas en slaapvrouw en heeft kennelijk met anderen slechte ervaringen opgedaan. Er zijn mensen die hem naar de duivel wensen. Zij zien dat “ik nog een broik [broek] heb om aen meijn kloote te trekken” en vertellen uit jaloezie onwaarheden over hem. Op die lui is het spreekwoord van toepassing dat zegt: geij wort noijt van gen kois waagen ofer reeden maar wel van een stront kar.  Met de voor spreektaal kenmerkende dubbele ontkenning: je wordt nooit door geen koets overreden, maar wel door een strontkar. In het vervolg zal hij zulk duivels rapalje mijden, want – om nog eens een andere uitdrukking te gebruiken - wie met pek omgaat, wordt ermee besmet!

Wie is Pieter Talleboom?

De brief  laat ons een nogal directe persoonlijkheid zien, maar ook iemand die op sociale contacten is gesteld. Zo doet hij de groeten aan Cornelis Schietekat, een vriend met wie hij bij thuiskomst hoopt “een glaasi rooije weijn” te drinken.  Ook Sara, Kaatje en de kleine Piet krijgen de groeten.

De groeten van Pieter Talleboom

De groeten van Pieter Talleboom

Pieter schrijft niet naar familie waaruit we kunnen opmaken dat hij niet uit Zeeland afkomstig is. Is hij de Pieter Talleboom uit het Noord-Hollandse Barsingerhorn (bij Schagen) die als jonge matroos in 1768 op een VOC-schip naar Batavia voer? Vervolgde hij zijn zeeliedenbestaan als matroos op de schepen Haast u langzaam en de Watergeus van de Middelburgse Commercie Compagnie, die in 1770 en 1773 slaven in Afrika haalden en in het Caraïbisch gebied afleverden? Als we met deze persoon op het goede spoor zitten, dan is hij waarschijnlijk eind augustus 1779 weer met de Haast u langzaam naar Afrika vertrokken om in het najaar van 1780 met een lading slaven in Demarary te arriveren (zie voor deze reis www.slavevoyages.org). Zekerheid daarover hebben we helaas niet; wel dat hij dacht half februari te vertrekken en enkele maanden later in Zeeland te arriveren.

Van uw minnaar

Hoe zouden de slaapbaas en slaapvrouw te werk zijn gegaan, als zij Pieters brief met opdracht hadden ontvangen? Pieter deed in elk geval zijn uiterste best om hun missie te doen slagen. Hij voegde aan zijn brief nog een kort briefje toe dat aan de uitgezochte, nog onbekende vriendin overhandigd moest worden: Deese te behandegen aen de regte [juiste] frendenne geij sal het wel weete wei [=wie] dat ik meen [bedoel]. Het briefje met Pieters spellingeigenaardigheden  staat vol vaste formules zoals die in de brief van de maand december centraal stonden. Hoe zou hij in deze omstandigheden ook anders kunnen?

De adressering van Pieters brief aan zijn nieuwe, onbekende geliefde

De adressering van Pieters brief aan zijn nieuwe, onbekende geliefde

Na de aanhef seer warde en seer geagte lieffe vrendenne volgt een bekende drieslag. Het briefje dient om u meijn seer geagte en bemende lief te laate weeten als dat ik nog door den seegen van god nog fris en gesont ben (1).  Natuurlijk hoopt hij haar ook binnenkort in gezondheid te zullen zien: ik hoop als dat ik het en kort van u meijn seer warde en seer geagte en beminde lief te moogen sin (2).  Als het anders zou zijn, dan zou hem dat zeer spijten: was het anders met u meijn seer beminde lief als ik tuijs kom het sou meij dan tot en het dipste van meijn hert doin bedroeffen (3).

Pieter verlangt haar te zien en te spreken: want ik verlank om u meijn seer waarde en seer geagte en beminde lief en een volmaate stat [volmaakte staat] te sin en te spreeken. Hij ziet haar zelfs al voor ogen: want ik kan nit ruste als ik om u denk dan is het met meij of ik meijn geagte lief voor meijn ooge sin. Ook ter afsluiting schrijft hij de bekende zinsnedes: verders breeke ik af met de pen maar nit met meijn hert en ik wense u mijn seer waerde en hoog geagte en bemende lief de seegen van den allemagtegen god dat heij u meijn lief mag bewaare voor alle tegenspoet en voor preijkele [perikelen, gevaren]. Vaardigheid in formulaire wendingen kan hem niet ontzegd worden. Dit mit hast geschreefen episteltje van u minaer P t B moest een heldere meid gaan overtuigen!

Pieters volledige liefdesbrief

Pieters volledige liefdesbrief

De twee brieven bevinden zich in doos HCA 30-331. Eerste transcripties werden binnen Wikiscripta Neerlandica gemaakt door Marcel Kelfkens en Carli Gispen. De toelichting bij deze brief van de maand werd verzorgd door Marijke van der Wal met medewerking van Juliette Sandberg.

Laatst Gewijzigd: 23-02-2011