Nieuwe Testament en archeologie: "We gaan niet voor de sandalen van Jezus"

Forum - 8 maart 2010

Jarenlang leidde Jürgen Zangenberg (1964) een nomadenbestaan. Hij trok van Duitsland naar Schotland en Amerika, en reisde op en neer van Duitsland naar Nederland. Nu heeft hij zijn plek gevonden, in Leiden. Sinds 2006 is hij hoogleraar Nieuwe Testament en vroeg-christelijke literatuur. Ook is hij instituutsdirecteur van LUIRS – Godsdienstwetenschappen en sinds 2008 onbezoldigd hoogleraar bij Archeologie. Verder leidt hij een groot project in Galilea. “Het is geen avontuurarcheologie met headlines.” 

door Sjaak Baars

U bent opgegroeid in Duitsland.

“Ik zat op een humanistisch gymnasium, Latijn en Grieks vond ik altijd heel interessant. Ik wilde graag archeologie doen, maar iedereen waarschuwde mij dat ik geen baan zou vinden. Ik was actief in een jeugdgroep in mijn gemeente, een liberale gemeente, erg gericht op kennis en het stellen van vragen. Toen heb ik besloten geen archeologie, maar theologie te studeren. In Erlangen, Beieren, studeerde ik evangelische theologie, een predikantenopleiding. In Duitsland zijn de wetenschappelijke en beroepsopleiding niet gescheiden. Het Nieuwe Testament vond ik heel interessant, want hiermee kon ik de brug slaan naar klassieke talen. Maar er waren ook praktische vakken over preken en pastorale vaardigheden.”

“Ik ben twee jaar pastoor geweest. Ik heb gepreekt, gedoopt en mensen begraven. Het was mooi om dat vertrouwen te krijgen van een gemeente en het was nuttig te merken dat ik wat miste. Ik heb daar ook lezingen gegeven over de discussies in de wetenschap. Toch miste ik de wetenschap. Ik wilde ook eigen vragen gaan uitdiepen, die niet direct toepasbaar zijn op gebruik in de kerk.”

Tijdens uw studie zat u ook in Schotland.

“Ik heb een jaar in Edinburgh gezeten. Naast theologie studeerde ik er Joodse studies en klassieke mythologie.  Ik kreeg de mogelijkheid in Heidelberg een Phd te doen over het Nieuwe Testament. Tijdens mijn promotie was ik al heel erg bezig met Galilea om daar samen met Amerikanen opgravingen te doen. In Sepphoris, de antieke hoofdstad van Galilea, in de buurt van Nazareth, ben ik de archeologie ingerold. Ik vind de materiële cultuur heel interessant. Mijn collega’s zijn erg tekstgeoriënteerd, maar ik vind dat als je iets wilt weten over de maatschappij, over hoe mensen leefden, hoe ze dachten, dan moet je ook iets weten over materiële aspecten van hun cultuur. ”

Waar ging uw promotie over?

“Over het Johannesevangelie. Daarin wordt vaak de regio Samarië genoemd, ten noorden van Jeruzalem. In de eerste eeuw zaten daar mensen uit de Israëlitisch-bijbelse traditie, met hun eigen uitleg van het christendom. Vroege christenen zijn met die Israëlieten in contact geraakt en dat vind je terug in passages in Johannes. Ik heb onderzocht wat hun culturele achtergrond is. Wat voor mensen waren dat? Wat zeggen de archeologische vondsten? Wat kunnen we uit het Nieuwe Testament leren van de contacten die de groepen legden?”

Hoeveel informatie kun je halen uit de tekst?

“In Johannes 4 komt Jezus in contact met een Samaritaanse vrouw bij een waterput. Ze voeren daar een lang gesprek over waar je God moet vereren, in Jeruzalem of hier op ‘die berg’. En ‘die berg’ – dat weten we nu – is de heilige berg Garizim van de Samaritanen. In dit gesprek zie je een debat tussen Joden en Samaritaniërs. Jezus wordt in dit debat geplaatst en daardoor ook het vroege christendom. Wat voor soort argumenten worden hiervoor gebruikt? Wat leer je daardoor over het ideologische profiel van de vroeg-christelijke gemeente? Delen ze argumenten met anderen? Uiteindelijk krijg je dan een beter begrip van de plek van het vroege Christendom te midden van deze andere concurrerende groepen.”

Eigenlijk een reconstructie van de geschriften?

“Ja, maar er zit ook een stuk interpretatie bij. Reconstructie is nooit objectief. Je hebt wel methodes die heel precies zijn. Hierdoor kun je abstraheren en krijg je “semiobjectieve” resultaten die je laat bekritiseren door je collega’s. Het onderzoek dat ik heb gedaan is niet zo controversieel, maar je hebt passages in de Bijbel die dat wel zijn. Het debat over de brief aan de Romeinen bijvoorbeeld is tot op de dag van vandaag nog omstreden, kijk bijvoorbeeld naar de strijd tussen protestanten en katholieken.”
 
Hoe hebt u uw archeologische kennis vergaard?

“In 2000-2001 ben ik in Yale geweest, voor een post-doc. Hier heb ik onderzoek gedaan naar de rituelen van Joodse begrafenissen. Eind 2003 ging ik op zoek naar een nieuwe baan, want ik wilde niet terug naar de gemeente. Een moeilijke tijd, want er waren veel goed opgeleiden op de markt. Toen heb ik in Tilburg gesolliciteerd naar een tijdelijke en halve baan als onderzoeker. Ik sprak nog geen Nederlands. Maar eigenlijk moest ik als Privatdozent ook nog regelmatig onbetaald onderwijs geven, om mijn verkiesbare plek voor een hoogleraarschap in Duitsland niet te verliezen. Dus ben ik in Frankfurt college gaan geven. Dat was op de route van Beieren naar Tilburg. Zeer stressvol. Ik kwam ‘s avonds aan in Frankfurt, gaf daar de volgende ochtend college, vertrok naar Tilburg om daar een week te blijven en op de weg terug gaf ik weer college in Frankfurt. Een nomadenbestaan. Dat reizen was niks.”

U bent steeds van huis.

“Ja. Edinburg en Yale heb ik wel samen met mijn vrouw gedaan. Maar dat reizen tussen Nederland en Duitsland met de trein was niks voor een langere periode. In januari 2004 begon ik in Tilburg. In april kwam Leiden, heel onverwachts. Een hele goede kans. Leiden vroeg precies wat ik wilde doen: Nieuwe Testament met als opdracht de culturele context erbij te betrekken.  Zo’n vacature tegenkomen, dat zijn dingen die je niet kunt plannen. Komt de kans, dan moet je er kort over nadenken en beslissen.

Ik sprak toen nog nauwelijks Nederlands. Omdat ik alleen onderzoek deed in Tilburg, wat in het Engels was, moest ik tijdens de lunch en in e-mails alles in het Nederlands proberen. Om te oefenen. Het werd steeds beter en ik geef nu zonder probleem in de bachelor les in het Nederlands.”

Wat doet u nu als hoogleraar?

“Voor het onderwijs maak ik onderdeel uit van de opleiding Godgeleerdheid en de master Religious Studies. En ik heb een aantal promovendi. De bestuurlijke taken waren totaal nieuw voor mij. Na twee jaar ben ik al instituutsdirecteur geworden. Door collega’s die onderzoeksverlof hadden en collega’s die met pensioen gingen, was ik ineens de oudste. Door mijn goede en ervaren collega manager is het goed te doen.”

En u hebt uw project in Galilea.

“Voor onderzoek ben ik druk bezig met de relatie tussen materiële cultuur en teksten. Het was altijd mijn droom om studenten in contact te brengen met de regio zelf, met de rijkdom aan culturele invloeden. En daarbij de methodes van wetenschappelijk onderzoek betrekken. Wat is archeologisch onderzoek, hoe interpreteer ik de vondsten? Hoe kan ik die verhalen van teksten en archeologie samenvoegen?

We doen niet mee aan de ouderwetse vorm van bijbelse archeologie – het verhaal lezen en naar de plek gaan om te kijken hoe het zit. We willen het land leren kennen op basis van de vondsten. De vondsten vertellen vaak een ander verhaal dan de teksten. Iedere auteur van de geschriften had namelijk een andere interesse en een ander doel.

Er is nu bijvoorbeeld een groot debat over het karakter van Jeruzalem in de tijd van Salomo en David. De rijkdom vind je wel in de verhalen, maar niet in de archeologie. Hoe los je die spanning op? Kan dat überhaupt? De oude verhouding was dat de archeologie incompleet was en de teksten compleet. Daar zijn we gelukkig van af.”

Hebben de vondsten invloed op de verhalen in de gemeente?

“Dat hoop ik. Mijn ervaring in de kerk was dat mensen heel geïnteresseerd waren. Je kunt wel vast houden aan de bijbel, maar dan als geloofsgetuigenis, niet als een reportage uit die tijd. In de boekhandel kom je wel vaak boeken tegen over de cultuur van het oude Israël, dus ook over de bijbel. Mensen willen zelf begrijpen en niet alleen geloven wat de dominee zegt. Maar als wetenschappers zijn we niet de biblebelt die zegt hoe het moet. We helpen kennis te ontwikkelen, en stellen nieuwe vragen. Ons doel is om meer te weten over landelijk Galilea in de eerste eeuw. We gaan er niet naartoe om de sandalen van Jezus te vinden, of nieuwe teksten. Maar we willen het alledaagse leven van boeren begrijpen, hoe zagen de dorpen eruit? Het is net zo nieuw-testamentisch als archeologisch. We moeten in dialoog blijven.”

Zijn er mensen die de regio beschouwen als een bedevaarstoord?

“Dat kan je niet voorkomen. Mensen gaan er op hun eigen manier mee om, maar ik ben niet bang dat dit zal gebeuren met de plek waar wij zitten. Die wordt nauwelijks genoemd in de literatuur. Maar we wilden juist zo’n doorsnee plek, om algemenere vragen te stellen. Het is geen avontuurarcheologie met headlines. Het is niet ons doel om te bewijzen of de bijbel gelijk heeft.

In 2008 zijn we begonnen om te kijken of er genoeg te vinden is – gelukkig is dat zo. Van juni tot juli gaan we vier weken voor grootschalige opgravingen. Het is een Europees project met Nederland, Zwitserland, Finland en Duitsland, maar het staat open voor iedereen. We willen zo internationaal mogelijke teams, ook van andere studies, dus meld je aan, en ga mee. Het is niet alleen om met kruiwagen en schep aan te slag te gaan, maar je krijgt ook les voor ECTS.”

Mist u Duitsland wel eens?

“Het is anders in Duitsland. Hier vind ik meer. Ik kan hier meer interdisciplinair werken. Ook vind ik de wetenschap hier meer relaxed. Mensen nemen zichzelf niet zo serieus dat ze hun collega’s echt vergeten en dat ze niet meer bedenken dat je anderen nodig hebt om wat te bereiken. Ik zie hier meer teamspirit. Misschien is dat de poldertraditie die een grote rol speelt. Nederland heeft laten zien dat je grote dingen kunt bereiken door samen te werken. Het beschermen van het land tegen de zee. Voor mij is dat een goed voorbeeld.”

Homepage Jürgen Zangenberg

-------------------------

Lees verder: Inhoudsopgave Forum 10e jaargang, nummer 1

Laatst Gewijzigd: 31-08-2011