Twee liefdes: filosofie en poëzie

Forum - 16 december 2010

Dr. Renée van Riessen (56) is per 1 januari 2011 benoemd tot bijzonder hoogleraar christelijke filosofie aan het Instituut voor Wijsbegeerte. Ze blijft daarnaast filosofie doceren aan de Protestantse Theologische Universiteit in Kampen en aan de Artez Hogeschool voor de Kunsten in Zwolle. Ze schreef vier poëziebundels, die zijn uitgegeven bij Prometheus. Forum had een gesprek met haar over filosofie, poëzie, liegen, traditie en reformatie. “Mij gaat het uiteindelijk om culturele en filosofische zelfkennis.”

door Martin Hulst

Tijdens uw studie filosofie bent u verliefd geworden op het denken. Leg uit.

"Plato is voor mij altijd een groot voorbeeld geweest. Wat mij het meest aantrok in zijn werk is het beweeglijke, een streven van de ziel naar het hogere. Dat is een verliefdheid waarin ik iets van mezelf herkende. Maar ik was tijdens mijn studie verliefd op twee dingen: op de filosofie en op de poëzie. Ik heb me niet totaal aan de filosofie verkocht."

Welke vragen hebben u het meest bezig gehouden?

"In de filosofie is dat maar één vraag: die naar transcendentie, naar dat wat ons overstijgt. Kun je transcendentie denken? Dat is het probleem van het religieuze, vertaald naar de filosofie."

"In de filosofie van de twintigste eeuw spreekt men over religie zonder religie, een messianisme zonder duidelijk omschreven messias. Dat wil zeggen dat je religieus bent in algemene zin. Je gaat dat niet ophangen aan een traditie, want dan krijg je de dogmatiek terug. De ontdekking die ik in mijn laatste boek over Levinas (Man as a Place of God, Levinas’ Hermeneutics of Kenosis , Dordrecht 2007) heb gedaan, is dat je vanuit religie zonder religie toch altijd moet teruggrijpen op traditionele religieuze uitingen."

Je hebt toch allerlei nieuwe vormen van spiritualiteit?

"Ik laat iedereen zijn eigen spirituele zoektocht. Maar ik denk dat een individu geen individu wordt buiten tradities om. Het is naïef om te denken dat je jezelf zomaar kunt vormen. Als je het over de westerse cultuur hebt, dan heb je naar mijn mening maar één grote traditie en dat is de christelijke. Daarvan neemt men afscheid of daarheen keert men terug."

"Wat ik zeg is gevaarlijk, want hoe zit het dan met het jodendom en de islam? Het is de opdracht om je daartoe sprekend en denkend te verhouden, in de erkenning van de grote onderlinge verschillen. Mij gaat het uiteindelijk om culturele en filosofische zelfkennis."


Kampen (foto door Martin Hulst)

Kampen (foto door Martin Hulst)

Geen filosofie zonder religie?

"Een filosofie die niet over zijn eigen religieuze traditie wil nadenken doet zichzelf tekort. Een verstandige filosoof zegt niet: met die traditie heb ik niets te maken. Dat is iets waarover ik met studenten in gesprek wil komen, zonder te zeggen dat ik een waarheidsstandpunt heb. Het christelijk geloof is in essentie geen waarheidsstandpunt, om aan de hand daarvan anderen te beoordelen. Het is eerder iets dat jou persoonlijk roept, van buitenaf. Omdat het in zekere zin buiten blijft, kun je het je nooit helemaal eigen maken en is het dus ook niet iets waarmee je anderen de maat kunt nemen."

Uw leerstoel heette tot voor kort: leerstoel voor reformatorische wijsbegeerte. Nu: leerstoel voor christelijke filosofie. Waarom die verandering?

"Het woord ‘reformatorisch’ wordt gemakkelijk verkeerd verstaan. Lettelijk betekent het dat je jezelf permanent hervormt om zo terug te gaan naar dat oerding, dat er eigenlijk niet is: de kern van het christelijk geloof. Dat is iets heel moois. Maar tegenwoordig denkt men bij reformatorisch eerder aan orthodox geloof en aan scholen waarop meisjes een rok moeten dragen. Zo wordt ‘reformatorisch’ op dit moment verstaan: zeer traditioneel, in plaats van de oproep je telkens opnieuw los te maken van tradities. Daarom is het goed om de leerstoel ‘christelijk’ te noemen."

Waarover gaat u in Leiden college geven?

"Ik wil beginnen met de vraag naar transcendentie, omdat die me na aan het hart ligt. De vraag wil ik eerst benaderen vanuit Luc Ferry, de humanistische positie. Het is frappant dat Ferry de vraag naar transcendentie met zoveel nadruk stelt. Dat wil ik in verband brengen met denkers als Augustinus, Kierkegaard en Levinas. Zij hebben allemaal iets te maken met het religieuze. Ook wil ik de transcendentale denkwijze van Dooyeweerd, de vader van de reformatorische wijsbegeerte, erbij betrekken."

Wanneer begon u met het schrijven van poëzie?

"Toen ik twaalf was. Typisch is alleen niet dat je met het schrijven van poëzie begint, maar dat je ermee doorgaat. Veel mensen schrijven poëzie, maar stoppen ermee. Ik merkte dat ik in allerlei perioden van mijn leven bleef schrijven, ook toen het druk was. Ik dacht: dat betekent iets. Dus heb ik me eraan overgegeven."

Hoe verhouden filosofie en poëzie zich tot elkaar?

"In de filosofie spreek je in het algemeen, je probeert een gemeenschappelijke taal te ontwikkelen en je moet kritiek en discussie toelaten. Poëzie is subjectief, je laat het onbewuste toe. Je mag zelfs liegen."

U straalt.

"Ja, ik vind het heerlijk dat ook het andere mogelijk is. Ik wil de filosofie afwisselen met de meerduidige teksten van de poëzie, omdat deze zicht kunnen geven op wat er meer is dan alleen filosofisch denken."

In de poëzie bent u aan niemand verantwoording verschuldigd?

"Je gaat je eigen weg. Dat kan lange tijd een weg zijn die niemand leest. Dat maakt niet uit, je schrijft gewoon. Toch heb je in de poëzie ook iets van verantwoording, maar die is anders dan in de filosofie. Is een kunstwerk een kunstwerk als je het gewoon op je zolderkamer houdt? Daarover praat ik regelmatig met mijn studenten op de academie in Zwolle. Ik denk dat een kunstwerk zich uiteindelijk moet confronteren met de buitenwereld, omdat het anders niet bestaat. Je moet durven je werk naar buiten te brengen en ervoor te staan."

Men vindt uw gedichten onmodern.

"Dat is voor mij een geuzennaam. Men vindt mij onmodern vanwege de stijl, ik schrijf weleens sonnetten. Maar ik ben niet consequent, ik schrijf ook in de vrije stijl. Men vindt mij daarnaast onmodern omdat ik vasthoud aan traditionele gedachten en omdat ik christelijke thema’s in mijn poëzie verwerk."

U heeft een onderwijsproject georganiseerd over de rol van het offer in de kunst. Is het offer belangrijk voor u als dichter?

"Het woord ‘offer’ is zwaar, dat ontdekten wij ook tijdens dat project. Maar kunnen we het woord missen? Dichten heeft voor mij iets te maken met totale overgave. Dus écht met een gedicht bezig zijn, zo dat je gewone leven er bijna in verdwijnt. Daarom vind ik het woord ‘offer’ in relatie tot mijzelf te machtig. Ik ben maar een kleine dichter. Ik schiet tekort in die totale overgave. Daar schaam ik me soms voor."

Waarom schaamte?

"Je hebt mensen die helemaal voor de kunst kiezen. Ze geven hun leven aan de kunst over en komen soms in het gebied van het offer. Dat is niet mijn weg. Mijn weg is het heen en weer gaan tussen de filosofie en de kunst. Misschien geef ik me daaraan over: het heen en weer gaan."

Ook in dit nummer:

Laatst Gewijzigd: 02-09-2011