“We dachten: ‘van de zotte dat er geen structurele samenwerking is’”
Forum - 30 juni 2009
Op 1 september 2010 zou de nieuwe master Museum, Collection and Cultural Politics (MCCP) van start moeten gaan – een unieke samenwerking tussen de Universiteit Leiden en de Leidse musea. De accreditatie is in volle gang. Forum sprak met Steven Engelsman, directeur van het Museum Volkenkunde en Minou Schraven, post-doc in Leiden en nauw betrokken bij de ontwikkeling van deze master.
door Sjaak Baars
(v.l.n.r.) Mark Meadow, Minou Schraven en Steven Engelsman - foto door Sanne Arens
Het lijkt erop dat dat de samenwerking tussen de Universiteit Leiden en de Leidse musea succesvol is, wanneer Steven Engelsman niet om twee uur, maar om kwart over twee binnenkomt. “Leids kwartiertje, hè.” Engelsman is inmiddels zeventien jaar directeur van het Museum Volkenkunde. Eerder was hij – na een promotie in de geschiedenis van de wiskunde – werkzaam voor Museum Boerhaave. “Als je eenmaal in een museum zit en je vindt het leuk, dan kom je er niet meer weg. Ik zei altijd dat ik niet in Volkenkunde met pensioen zou gaan, maar ik ga hier niet meer weg.”
Als Leids museumdirecteur is Engelsman nauw betrokken bij de ontwikkeling van de nieuwe master: Museums, Collection and Cultural Politics (MCCP). Vanuit de Universiteit Leiden is Minou Schraven actief betrokken bij MCCP. Zij doet dit samen met Mark Meadow, hoogleraar Geschiedenis en Theorie van Musea en Collecties, en de verantwoordelijke hoogleraar voor de nieuwe master.
Hoe is deze samenwerking tussen de Universiteit Leiden en de Leidse musea ontstaan?
Engelsman: “Er was wel wat samenwerking, maar die was incidenteel. We dachten: ‘Het is toch van de zotte dat er in Leiden, met zo’n universiteit die veel doet op ons terrein, niet meer dan een incidentele samenwerking is?! Zonde dat het niet geinstitutionaliseerd is.’ Dus moet er een samenwerkingsprogramma komen waarin je iets kunt leren dat nergens anders kan. De vorige decaan Geert Booij en de huidige decaan Wim van den Doel zagen het belang van zo’n nieuw programma. Van der Doel nodigde Mark Meadow uit, die als kunsthistoricus zowel bij de Universiteit Leiden als University of California Santa Barbara werkt. Al snel ontwikkelde hij de eerste plannen. Eerst dacht ik: ‘Wat een vaag gedoe allemaal’. Maar toen ik in Amerika op vakantie was en Mark mij uitnodigde hebben we met een goede fles wijn uren zitten praten. Het klikte. We vonden elkaar en zeiden beiden: ‘Dit is goed, we gaan het doen.’”
Schraven: “De nieuwe master sluit ook goed aan bij de vernieuwingsplannen van de Faculteit Geesteswetenschappen, om in de masters meer met maatschappelijke partners te doen.”
Engelsman: “Mark heeft toen binnen de faculteit allerlei zaken geregeld en ik schreef stukken en aanbevelingsbrieven. Dit resulteerde in een samenwerkingsovereenkomst tussen de faculteit en de Leidse musea in het najaar van 2008. Alle Leidse musea doen mee: Naturalis, het Sieboldhuis, de Lakenhal, het Rijksmuseum van Oudheden, het Regionaal Archief, de Hortus Botanicus en Volkenkunde. Er zijn veel kletsmajoren zoals Mark en ik, maar uiteindelijk moet toch de accreditatie geregeld worden, de begroting. Minou Schraven doet daar goed werk voor.”
Schraven: “Het afgelopen half jaar hebben we hard gewerkt aan het accreditatiedossier. Dat dienen we deze zomer in, zodat het programma in september 2010 ook echt van start kan gaan.”
Wat maakt de master uniek?
Schraven: “Er zijn wel andere goede museumstudies, maar er is er geen een die zo duidelijk een samenwerking aangaat met musea. Bij de meeste studies kom je pas bij de stage echt het museum binnen. Om het curriculum van MCCP te ontwikkelen, zijn we met de musea rond de tafel gaan zitten, waarbij we steeds hebben gedacht: ‘Wat moeten studenten nu echt weten en leren?’”
Engelsman: “Het wordt op deze manier nergens anders in de wereld gedaan.”
Waarom dan nu pas die samenwerking?
Engelsman: “Omdat er niemand met voldoende afstand was die zei dat het anders moest. De dagelijkse agenda domineert. Museummensen zijn heel druk. Initiatief voor wat nieuws vergt veel moeite en tijd. In Leiden heb je veel solisten met de meest briljante ideeën, maar als een ander met een goed plan komt zeggen ze: ‘Ik heb een beter plan.’ Je moet het middelpunt zoeken om verder te komen. Leiden is een stad van slimmerikken, maar de Leidse universiteit is een matige universiteit geworden. Ik heb het idee dat het komt door weinig samenwerking. Bij de beta’s zie je dit meer: grote gezamenlijke onderzoeksprogramma’s.”
Schraven: “Het vergt natuurlijk veel inspanning om een nieuwe opleiding te ontwikkelen, zeker als er zoveel externe partners bij betrokken zijn. Maar in dit geval is de samenwerking echt hartverwarmend: de Leidse musea hebben zich volledig ingezet, en door de inbreng van de partners is het programma heel sterk geworden.”
Engelsman: “Verder zijn er bij de Leidse musea veel nieuwe directeuren. Ik ben de dorpsoudste; de rest zit er niet langer dan twee, drie jaar. Dat is ook iets dat zeker heeft geholpen. Ik vind die vernieuwing heel goed.”
Schraven: “Je ziet veel enthousiasme bij de museumdirecteuren om deze opleiding samen met de universiteit te gaan trekken. Iedereen wil graag dat de master er komt en ook dat het een vernieuwende opleiding wordt.”
Engelsman: “De samenwerking tussen de musea is wel altijd goed geweest, hoor. We hebben bijvoorbeeld een programma waarbij we ervoor zorgen dat lagere scholen naar de Leidse musea komen. Werkelijk een programma dat als voorbeeld kan dienen voor Nederland. Ook de Museumnacht van zaterdag 4 juli is er een voorbeeld van. Maar soms moet iemand van buitenaf komen en net even op het goede knopje drukken. Doordat het museumleven heel hard werken is, ben je soms buiten adem en kom je niet toe aan iets anders.”
Hoe gaat de master er uit zien?
Schraven: “De master duurt twee jaar. In het eerste jaar volg je onderwijs, dat zowel door docenten van de universiteit als de vakmensen uit de musea wordt gegeven. In het tweede jaar loop je een intensieve stage bij een Leids museum - of een project bij meerdere Leidse musea - en schrijf je de eindscriptie. Naast een flinke basis in museumtheoretische vakken, ligt de nadruk in het curriculum vooral op ethische en cultuurpolitieke kwesties. Daarbij gaat het om zeer actuele vragen: ‘Van wie is een collectie?’ en ‘wat is de taak en verantwoordelijkheid van een museum?’ Een groot deel van de museale collecties is in koloniale tijden verzameld. Hoe gaan we daar op een verantwoordelijke manier mee om? Volkenkunde en Oudheden lopen mondiaal gezien voorop in deze ontwikkelingen. Aan de hand van gevallen uit de praktijk van de Leidse musea, krijgen de studenten inzicht in deze complexe problematiek.”
Engelsman: “Een master die ingaat op musea, collecties en cultuurpolitiek staat niet alleen open voor kunsthistorici, maar ook voor antropologen, archeologen, biologen en natuurwetenschappers. Het Museum Volkenkunde heeft over de hele wereld partners. Wat ik zo leuk zou vinden is dat we studenten van daaruit hierheen krijgen. Om een voorbeeld te noemen. De helft van het cultuurgoed van de Filipijnen is in Europa. Ik zou graag zien dat Filipijnse studenten hierheen komen, de collectie in kaart brengen en catalogiseren, en de collecties terugbrengen naar de Filipijnen zodat zij hun geschiedenis kunnen ontdekken. Ik geef niks weg, maar lenen kan altijd, daar zijn we heel vrij in. Dit is in a nutshell wat die master moet opleveren.”
Schraven: “Gezien de grote diversiteit aan musea in Leiden, willen we ook studenten met verschillende achtergronden en vooropleidingen aantrekken. Leiden heeft een rijk palet aan musea, en dat op een straal van een vierkante kilometer. En met de komst van het Nederlands Centrum voor Biodiversiteit naar Naturalis wordt Leiden echt op de kaart gezet. En ook binnen de Universiteit wordt veel aan de bestudering van collecties gedaan, bij kunstgeschiedenis, culturele anthropologie, archeologie, het Scalinger Instituut, en de Universiteitsbibliotheek. Binnen de Leidse musea is er een groot aantal conservatoren, die ook als bijzonder hoogleraar les geven aan de Universiteit. Ik heb grote verwachtingen. Het is een geweldige aanvulling op de programma’s die er al zijn. En het is goed voor de uitstraling, voor zowel de Universiteit als voor de Leidse musea. Uit deze samenwerking kan veel goeds groeien.”
-------------------------
Lees verder: Inhoudsopgave Forum 9e jaargang, nummer 4