“Het wereldbeeld een graadje uit het lood zetten”
Forum - 25 mei 2007
Het Leidse Eerstejaarsboekproject wordt aan andere universiteiten met jaloezie bekeken. Dit jaar is El Negro en ik van Frank Westerman gekozen om de eerstejaars een inspirerende start van het academisch jaar te bezorgen. Zijn de idealen van onze eerstejaars studenten bestand tegen de verontrustende charges in dit meeslepende boek?
door Jaap de Jong
Een gratis boek, een stevige groepsdiscussie en een openbaar interview met een gevierd auteur in de Pieterskerk. Het academisch leven van eerstejaars Letterenstudenten begint veelbelovend. De Eerstejaarsboekdag staat dit jaar in het teken van het boek El Negro en ik van Frank Westerman. Nog nooit was een journalistiek boek met een zo prestigieuze prijs bekroond als El Negro en ik. In 2005 ontving Frank Westerman er de Gouden Uil voor, een van de grootste Belgische literaire prijzen.
Hij stelde bij die gelegenheid vast dat we het onderscheid tussen fictie en non-fictie wel kunnen missen in de bepaling van de literaire kwaliteit. Westerman presenteerde een nieuwe tweedeling: frictie versus non-frictie. ‘Daarmee bedoel ik heel plastisch: wrikt een tekst iets los? Verrast, ontroert, onthutst hij? Er zijn werken die beschrijven wat we al wisten, aanvoelden of konden vermoeden. Boeken die geen ander gevoel losmaken dan herkenning. Non-frictie. Er zijn er ook die ontwrichten, prikkelen, choqueren of heel subtiel je wereldbeeld een graadje uit het lood zetten. Frictie.’
Zelf las Westerman – ‘meer een bèta’ – tot zijn zestiende geen romans, werd hij twee keer uitgeloot bij de School voor Journalistiek en ging hij als achttienjarige bij de Landbouwuniversiteit Wageningen studeren: Tropische Cultuurtechniek. Hij werd na zijn opleiding toch journalist, aanvankelijk bij de Volkskrant, later bij NRC Handelsblad. Zijn belevenissen als correspondent in Joegoslavië publiceerde hij in een verhalenbundel De brug over de Tara (1994) en Srebrenica, Het zwartste scenario (1997), samen met Bart Rijs. Met De graanrepubliek (1999) en Ingenieurs van de ziel (2002) maakte hij een doorbraak naar een groter publiek, ook in het buitenland.. Onlangs verscheen Ararat, een boek over een persoonlijk zoektocht naar zijn opvattingen over geloof en wetenschap en naar de betekenis van de berg waar Noachs ark volgens de verhalen aan de grond liep.
Het Leidse Eerstejaarsboekproject, geïnitieerd door de letterenhoogleraren Thony Visser en Ineke Sluiter, wordt in den lande met enige jaloezie bekeken. In de afgelopen jaren hebben ook de faculteiten Wiskunde en Natuurwetenschappen, Godgeleerdheid, Kunsten en het departement Pedagogiek zich bij de organisatie van het evenement gevoegd. Na Jonathan Safran Foer, Magda Szabó en Kader Abdollah is het nu de beurt aan de auteur Frank Westerman om de eerstejaars een inspirerende start van het academisch jaar te bezorgen. In zijn Amsterdamse grachtenpand is hij bereid in aanloop op de eerste academiedag de geheimen van zijn stijl met de lezers van Forum te delen.
Als negentienjarige student stuit u tijdens een liftvakantie in een Spaans museum op een opgezette neger – El Negro. Een ongericht gevoel van schaamte is het begin van een persoonlijke zoektocht waar u twintig jaar later een boek over schrijft.
‘Het boek is een echte queeste: een zoektocht met een onzekere uitkomst. Wie was die kleine, zwarte man? Wie heeft zijn lichaam opgezet? Maar vooral: hoe zijn de maatschappelijke én mijn eigen ideeën over ras, etniciteit, kolonialisme en de Vreemdeling in de loop van de tijd veranderd? Als negentienjarige lifter had ik een gouden tijd in Frankrijk, je werd direct meegenomen. Toen kwam Spanje.’ Westerman citeert uit zijn hoofd: ‘“Spanje was een hopeloos liftland, bevolkt door xenofobe types die zich afgezonderd in hun blikken schulpjes voortbewogen”. Op grond van zeer weinig informatie had ik mijn oordeel over de mij vreemde Spanjaarden (“xenofoob”) al klaar. Verderop in het boek beschrijf ik dat ik twintig jaar later weer in precies dat gebied kom en expres zelf een huurauto neem. “Bij elke afslag had ik uitgekeken naar lifters, hoewel ik er niet zeker van was of ik die zou meenemen. Doorrijden of stoppen voor iemand die twee tellen in je blikveld verscheen; ik was benieuwd naar de onzuivere criteria die ik zou aanleggen”. Bijna niemand die het opvalt, maar beide passages verwijzen naar elkaar. Ik zoek parallellen en spiegelingen en maak af en toe gebruik van beeldrijm, waarbij ik hoop dat het bij de lezer iets loswrikt, dat die zichzelf ook dat soort vragen gaat stellen.’
Loswrikken, frictie – akkoord. Maar ontneemt u 18-jarigen niet veel van hun zekerheden met uw ontluisterende beschrijvingen van mislukte ontwikkelingsprojecten en politieke wantoestanden? U valt tijdens een stage in Jamaica keihard van uw geloof als Wagenings ontwikkelingswerker.
‘Ik moet oppassen dat ik nu niet als een ouwe lul ga klinken… Mijn boek is een anatomie van mijn betrokkenheid bij de wereld. Die ben ik niet kwijt. Maar er komt in dit boek inderdaad veel op de snijtafel te liggen: een hele Werdegang. Ik beschrijf dat ik er tijdens mijn stage in Peru na een grondige irrigatiestudie achter kwam dat niet ingrijpen in de bestaande irrigatiegebruiken van de Aymara-indianen in de Andes beter was dan allerlei technische vernieuwingen toe te passen die weer sociaal ontwrichtend zouden werken. Helemaal tegen het zere been van de toenmalige ontwikkelingswerkers! En ik verbaas me over de ontwikkelingshulpindustrie. Er waren 80.000 ontwikkelingswerkers in Afrika. Afgezien van Zuid-Afrika zijn alle landen bezuiden de Sahara er sinds de dekolonisatie alleen maar op achteruit gegaan, een kwart eeuw intensieve ontwikkelingshulp ten spijt.
Ik heb gezien hoe de Guineanen tot een volk van hulpverslaafden waren gemaakt, lusteloos bungelend aan het westerse donorinfuus. Een vroegere studiegenoot reed er sinds zijn zevenentwintigste rond in een zescilinder Nissan-terreinwagen, “een pooierbak” (zíjn woorden) met een ijskastje voor de blikjes cola. Hij schreef doorlopend rapporten over “interventiepakketten”, “speerpuntconcepten” en “gender impact”. Maar toen ik vroeg of hij zelf geloofde in wat hij deed, vond hij dat een ongeldige vraag. “Je vraagt een bakker toch ook niet of rijst lekkerder is dan brood?” Inderdaad vind ik dat we met het ontwikkelingswerk vaak uitgaan van de verkeerde premisse: dat ontwikkelen altijd een weg omhoog betekent. Het gaat uit van onze superioriteitsgedachte. Die betutteling van “word zoals wij” werkt averechts. Overigens stelde die studievriend: “Als ik wegga zijn er zeker twintig families, tolken, assistenten, bewakers bij mij in dienst die niks meer te eten hebben. Moet ik die dan laten stikken?” Ik stel de dilemma’s scherp, maar ik heb geen pasklaar antwoord. En elke nieuwe generatie studenten moet weer zelf op onderzoek uit, met een eigen antwoord komen.’
U was journalist. Die zijn vooral gericht op objectiviteit – de feiten. Waarom bent u als schrijver zelf uit de coulissen gestapt?
‘Als correspondent bij de Volkskrant schreef ik inderdaad zelden ik in mijn artikelen. In mijn boeken ben ik dat meteen gaan doen, maar alleen, en dat is voor mij een absolute voorwaarde, wanneer ik als verteller tijdens het verhaal een ontwikkeling mee zou maken. Zo niet, dan loop je als schrijver hinderlijk door het beeld. Anders dan in mijn journalistieke berichten, ben ik in mijn boeken openlijk subjectief. Ik zoom in en uit, ik laat weg, evalueer, sla een zijweg in, ik zaai zonodig verwarring. Maar ik laat me in mijn kaart kijken, en maak mijn camerastandpunt wel duidelijk.’
Joris Luyendijk vindt dat ook journalisten meer verantwoording moet afleggen van hun subjectieve keuzes en de bijkomende vervormingen van de werkelijkheid. Moeten journalisten die keuzes meer verantwoorden, zoals uw boeken telkens een The making of… bevatten?
‘Luyendijk heeft absoluut een punt. De grote mediashow waar hij zijn pijlen op richt is stuitend. De bureauhoofden van grote netwerken zouden zijn analyse ter harte moeten nemen. Maar je doet de goede journalisten tekort als je zegt dat alle media een vertekend beeld geven. Televisie is inderdaad vaak te snel om genuanceerd te zijn, maar iemand als Midden-Oostencorrespondent Conny Mus slaagt er in om in enkele minuten toch een ongelofelijk genuanceerd verhaal te vertellen. En in de kranten verschijnen vaak goede achtergrondverhalen. Overigens hebben kijkers ook zelf een verantwoordelijkheid. Ze hoeven echt niet niet alleen maar de oppervlakkige berichten en sensatiefoto’s met bijschriften tot zich te nemen. Na het journaal zijn er gelukkig altijd verdiepende achtergrondprogramma’s en de kranten bevatten vaak goede artikelen die de machinaties achter de schermen blootleggen. Maar meer journalistieke verantwoording kan beslist geen kwaad.’
Hoe belangrijk is de stijl, de vorm van het boek?
‘Stijl is essentieel. Aan de research voor Ararat heb ik zo’n 3 maanden besteed (inclusief reizen en het beklimmen van de berg), aan het schrijven een vol jaar. Ik schrijf heel langzaam. Ik kan een goede dag hebben waarbij het resultaat is dat ik één alinea schrap. Ik maak The making of… tot een onderdeel van het boek, om het zoeken en het schrijven niet alleen voor de lezer maar ook voor mijzelf spannend te houden; volgens een recensent schrijf ik ‘in een tastende taal naar wat aan het begrip ontstijgt’ – en dat herken ik wel.’ Het geploeter achter mijn scherm vind ik spannender dan het beklimmen van de Ararat. Als ik bezig ben met timing, compositie, suggestie, verbeelding, en het oproepen van metaforen vervaagt elk begrip van de tijd, vergeet ik te eten. Ik heb ontzag voor het woord.’
Konstantin Paustovski, over wie u schrijft in Ingenieurs van de ziel, is een zeer zintuiglijk schrijver. Hij noemt zintuiglijk schrijven zelfs het geheim van de door hem bewonderde schrijver Gecht. Bent u een zintuiglijk schrijver?
‘Ik schrijf vooral met mijn oor en ogen. Klank is heel belangrijk: ‘de distels ritselden onwillig…’– dat leerden we op school al: dat zo’n woordkeus de suggestie van het ritselen versterkt. Ik zoek naar dat soort woorden die de betekenis een handje helpen door hun klank. Sommige passages schrijf ik alleen omdat ik een mooi, goedklinkend woord in mijn tekst wil krijgen. Mudboy of slaperdijk of graanbaron bijvoorbeeld. En het ritme moet kloppen. De adem van de zin moet overeenkomen met wat je wil teweegbrengen.
Westerman citeert tijdens het gesprek hele passages van zijn werk uit het hoofd om iets te illustreren, maar pakt nu De graanrepubliek en leest met zichtbaar plezier en met veel klank een passage voor, waarin het woord graanbaron hem bevalt: “Zes generaties als rechte mannelijke lijn hadden er als graanbaronnen geleefd. Ze hadden zich opgewerkt tot herenboeren, dat wil zeggen: het waren boeren (dat nog wel) zonder rouwnagels of eelthanden en tegelijk heren (zonder twijfel) met haren die roken naar suikerbietenpulp en strohaksel. Welsprekende debaters die de ‘n’ door hun neus naar buiten lieten tuimelen. Selfmade adel.”
Westerman: ‘Ik heb hier mijn woorden eindeloos gewogen. Doe er in een bijzin een gewichtje bij, haal er elders weer een gewichtje af. Als een grutter. Net zo lang, soms wel dertig versies tot een passage goed klinkt en klopt. Maar Paustovski schrijft zintuiglijker dan ik. Waarschijnlijk zijn mijn reuk-, smaak- en tastzin minder ontwikkeld in mijn schrijven.’
De eerste zin na het voorwoord in Ingenieurs van de ziel luidt: 'De hersenen van Maksim Gorki worden bewaard in een weckfles in het Moskouse Neurologisch Instituut. Ze wegen 1420 gram en plakjes ervan zijn onder de microscoop onderzocht op sporen van genialiteit.' En de volgende zin: 'In de namiddag van 18 juni 1936, luttele uren na het heengaan van "de briljante woordkunstenaar en onbaatzuchtige werkmansvriend", waren beide breinhelften uit hun schedelkom gelicht en aan de Sovjet-wetenschap overhandigd.' Hoe belangrijk zijn eerste zinnen voor u?
‘Daar staat of valt je boek mee. Ik schaaf en varieer tot het goed is. De botsing tussen hoog (hersenen en genialiteit) en laag (weckfles) zoek ik bewust en met de ironie van “onbaatzuchtige werkmansvriend” maak ik het sacrale beeld van het lichten van twee breinhelften uit de schedelkom van de schrijver weer wat draaglijker. Ook de personificatie van De Sovjet-wetenschap heeft een ironiserend effect.
Het boek Srebrenica begint met het perspectief van de Dutchbatter: “Het was niet hun oorlog, maar opeens zaten ze er middenin.” Ik vond dat de beste samenvatting van hun perspectief. De eerste zin kan het komende voorafspiegelen, haast in de bijbelse , profetische betekenis. Het hoeft niet, maar als het lukt is het wel mooi.’
Een zo verleidelijk mogelijke vorm dus, maar wel een ontmoedigende boodschap?
‘Ik beschrijf in El Negro en ik een reis door Sierra Leone, welk land een ideale casus van geslaagde ontwikkelingshulp had moeten zijn, maar verworden is tot een gruwelijke puinhoop. Vrijgelaten slaven zijn er zelf weer slavenhandelaren geworden. Het was zo erg dat de mensen zeiden: “Voer de kolonisatie maar weer in: alles beter dan dit.” Hoewel ik zelf mijn geloof in het traditionele ontwikkelingswerk verloren heb, zeg ik niet: “Schaf die ontwikkelingshulp maar helemaal af.” Noodhulp wordt nooit als betuttelend ervaren. Eerlijke handel evenmin. In een discussie met een groep Wageningse studenten van mijn oude vakgroep hoorde ik: “Het kan zo zijn dat jij zo je desillusies hebt meegemaakt, maar mogen wij het alsjeblieft zelf ondervinden en onze eigen neus stoten?” Natuurlijk. Ik vrees dat dat zo moet, en dat het nooit anders zal gaan.
- Meer over de Eerstejaarsboekdag op eerstejaarsboekdag.leidenuniv.nl
- Inhoudsopgave Forum 7e jaargang, nummer 3