"Het recht om door te stromen na je bachelor is een misplaatst politiek compromis."
Forum - 30 maart 2010
Jeroen Duindam
De nieuwe hoogleraar Vroegmoderne Europese Geschiedenis Jeroen Duindam spreekt zich uit over internationaal vergelijkend onderzoek, het bama-systeem en zijn tweede carrière als fagottist: “In de geleerde wereld kunnen we ons achter een heleboel papier en wijsheid verschuilen. Maar in de muziek ben je iets of helemaal niets.”
door Justine Versteegh
Per 1 september 2010 verwelkomt Leiden Jeroen Duindam (1962) als hoogleraar Vroegmoderne Europese Geschiedenis. Deze freelance fagottist startte zijn universitaire carrière in 1988 aan de Universiteit Utrecht. Twee jaar geleden reisde hij af naar Groningen om te doceren aan de RUG. Nu smeedt hij plannen voor zijn komst naar Leiden. Het bevorderen van de samenwerking tussen zijn vakgebied en Aziatische studies is daar een van. Maar het is niet al goud wat blinkt. De invoering van het bama-systeem in Nederland heeft de universiteit niet effectiever en selectiever gemaakt.
Hoe gaat u uw leerstoel Vroegmoderne Europese Geschiedenis invullen?
“Ik hoop dat we een instituut kunnen bouwen dat studenten op een zinnige manier confronteert met Nederlandse, Europese en globale geschiedenis in elke periode. En dan op een bredere manier dan de expansiegeschiedenis van Nederland, eerder vanuit een vergelijkend Europees-mondiaal perspectief.”
Vienna and Versailles
Uw specialisme is Europees-Aziatisch onderzoek.
“Nou, mijn basisspecialisatie vanuit promotie en publicaties is vergelijking van dynastieke machtscentra binnen de Europese context. Zo heb ik gekeken naar de hoven van Wenen en Versailles en zaken als personeelsaantallen, kosten en hiërarchische verhoudingen in een vergelijkend perspectief geplaatst. Dit heeft geresulteerd in het boek Vienna and Versailles. The courts of Europe’s Dynastic Rivals 1550-1780 (2003). Ik heb in de vergelijking gebruik gemaakt van archiefmateriaal. Op die manier neem je gemakkelijker afstand van reputaties, je gaat de diepte in en komt tot onverwachte conclusies. Vergelijkende geschiedenis wordt meestal beoefend op grond van secundaire literatuur. Dan dreigen reputaties uitgangspunt te worden van onderzoek. Je staat versteld hoeveel van de Europese geschiedschrijving gebaseerd is op nationale clichés. Zo staat Lodewijk XIV te boek als een sterke vorst die het hof enorm uitbreidde, en de adel ‘temde’. Uit de vergelijking met Wenen wordt niet alleen duidelijk hij sterk bezuinigde, maar bovendien dat hij edelen in verhouding juist erg veel voorrechten toeschoof. Je ontkomt pas aan clichés als je vergelijkt op het niveau van primaire bronnen. In de vergelijking tussen Europa en Azië gebeurt dat eigenlijk helemaal niet. Dat is ook heel ingewikkeld. Want wil je de Aziatische bronnen bekijken, dan is kennis van de taal nodig.”
Welke talen spreekt u zelf?
“Ik ben een Europees historicus, dus ik spreek Europese talen. Wil je op het gebied van bredere vergelijkende geschiedschrijving iets bereiken, dan moet dat in samenwerking. Leiden is de enige Nederlandse universiteit met een volwaardige afdeling Aziatische studies, dus de verbindingen voor samenwerking liggen er al. Ik denk dat er een heel productieve kruisbestuiving kan ontstaan tussen instituten als Geschiedenis en Sinologie en de verschillende areastudies. Die mogelijkheid tot samenwerking is voor mij de evidente meerwaarde van Leiden.”
Gaat die samenwerking er ook komen?
“Daar wordt momenteel aan gewerkt. Met een aantal collega’s van de universiteiten van Amsterdam, Nijmegen en Leiden schreef ik een vergelijkend project over rijken in Europa en Azië. We hebben daarover nu bij NWO een aanvraag ingediend en hopen op acht onderzoeksplaatsen. Wordt dit plan verwezenlijkt, dan versterken we de samenwerking binnen de geesteswetenschappen, zowel binnen Leiden als tussen de verschillende betrokken universiteiten. ”
Hoe kijkt u terug op de tweeëntwintig jaar die u al doorbracht in het hoger onderwijs?
“De cultuur rond het studeren in Nederland verandert, de houding is minder vrijblijvend. Denk aan het bindend studieadvies. Er wordt meer van studenten verwacht, maar dat betekent ook dat je meer van docenten mag verwachten. Zo stellen we hogere eisen aan elkaar. Wat me aanspreekt van Leiden is dat die universiteit snel is geweest met de invoering van het bindend studieadvies. Utrecht is daar toen vrij snel op gevolgd. Het is boeiend om zo’n grote stijlverandering van dichtbij mee te maken. Groningen is een heel sympathieke universiteit, maar wil dat ook heel graag naar haar studenten zijn. Zij zijn laat met het bindend studieadvies, maar ook daar zet die cultuurverandering langzaam door.”
Is Nederland tot nu toe te soft geweest voor studenten?
“Ja, zeker wat betreft de invoering van het bama-syseem. Je bachelor lijkt hier te gelden als een soort recht op doorgaan voor de aansluitende master. Dat is gewoon een gemiste kans. We zouden het Britse MA- en MPhil-systeem kunnen volgen. Daar is de selectie voor iedereen, maar dan in twee etappes. Op basis van selectie stroom je door van je bachelor naar je master en doe je die laatste goed, dan moet je vervolgens weer geselecteerd worden voor je onderzoeksmaster. Zo heb je een getrapt selectiesysteem dat iedereen kansen geeft, maar waarbij het vanaf het begin af aan duidelijk is dat niet iedereen vanzelfsprekend vanuit een bachelor doorstroomt.”
In een artikel in de Volkskrant betoogde u in 2007 al eens dat de selectiedrempel is verworden tot een doorstroomrecht. U noemde het universitair bestel zelfs ‘gesloopt’.
“Ja, dat zogenaamde doorstroomrecht is een misplaatst politiek compromis. Het gaat er om dat je aan studenten die goed onderwijs willen optimaal onderwijs biedt. En dat staat niet op gespannen voet met selecteren. Er zijn veel studenten die een bacheloropleiding prima aankunnen, maar die niet geschikt zijn voor de Master. Het is in het belang van de student en de opleiding dat je hierin duidelijk bent.”
In hetzelfde artikel stelt u: “De colleges van bestuur zijn niet de oorzaak van de crisis aan de universiteiten, maar ze hebben er wel aan meegewerkt.”
Bedachtzaam: “Universitaire bestuurders krijgen een geldstroom onder hun beheer waar ze zich op instellen. Maar je kunt niet simpelweg in de krant adverteren met ‘wij zijn de beste’. Je moet gewoon de beste zijn met je onderwijs. Een hiërarchie tussen universiteiten, zoals die bijvoorbeeld in de Verenigde Staten geleidelijk is gegroeid, kun je niet met politieke stappen of met PR-maatregelen afdwingen. Mensen die onderwijs verzorgen of onderzoek doen, kijken veel meer naar de praktijk. Die twee dingen verhouden zich niet altijd goed tot elkaar. Maar dat betekent niet dat je altijd de bestuurders de schuld moet geven. Zij moeten de instelling draaiende zien te houden.”
Een beetje concurrentie tussen universiteiten kan toch geen kwaad?
“Maar die concurrentiestrijd wordt nu gevoerd op basis van beeldvorming en PR. Daarbij gaat het om zaken als ‘kom hier studeren, want dit is een leuke stad’. En dat is volgens mij niet interessant. Dat is marktwerking op z’n platvloers. Je wilt een hoger onderwijs dat goed onderwijs biedt aan die groep die daar geschikt voor is. En niet een systeem waarin Europese doelstellingen bepalen dat een groot percentage van de bevolking hoger onderwijs moet volgen. Waarom zou je mensen die geen academische interesse hebben in dat keurslijf dwingen? Als we de kwaliteit van het onderwijs willen vasthouden, dan moeten we accepteren dat dit niet voor een heel groot percentage van de bevolking is weggelegd.”
Werk je dan een elitesysteem niet in de hand?
“Als een elitesysteem in het onderwijs betekent dat iedereen met de motivatie en het talent om te studeren dat kan, dan is het heel goed dat er een elitesysteem bestaat. Zolang de kansen op hoger onderwijs maar niet beperkt worden tot een sociale en financiële elite.”
U bent professioneel fagottist geweest. Hebt u nog wel tijd voor de muziek?
“Ja. het is een tijd lang een beroepsuitoefening geweest. Maar zo intensief is het al lang niet meer. Dat ging niet meer samen met mijn baan als docent. Maar mijn muziek speelt zich nog wel af in de beroepswereld. Ik speel in ensembles, een orkest, een blaaskwintet. Onlangs gaven we met dat kwintet nog een lunchconcert in het Concertgebouw. Het is net als met boeken lezen, het is iets dat je blijft doen.”
Maar een boek neem je nog mee…
“Mijn fagot ook hoor! Het is echt een ervaring die ik niet zou willen missen. Zelfs een noodzakelijke afwisseling. In de geleerde wereld kunnen we ons achter een heleboel papier en wijsheid verschuilen. Maar in de muziek ben je iets of helemaal niets. Het moet klinken. Dat maakt het veel directer. Dat biedt een prettig contrast met de geleerdheid.”
Op uw informatiepagina van de RUG roept u studenten nadrukkelijk op tot suggesties. Hoe belangrijk is die interactie met uw studenten?
“Dat is de reden dat je aan de universiteit zit. En niet omgekeerd; dat je in eerste instantie onderzoeker bent die af en toe onderwijst. Maar de verbinding van onderzoek en onderwijs die het zo leuk maakt, is de laatste twintig jaar door een sluipende bezuiniging moeilijker geworden. De onderwijslast is grofweg verdubbeld. Onderwijs is geen vanzelfsprekende combinatie meer met onderzoek. Het is nu de combinatie van onderwijs en bestuurlijke klusjes die samen een volle baan vormen. De papierwinkel en de universiteit zijn aan elkaar gebonden geraakt. En die papierwinkel leidt dikwijls niet tot wat het nastreeft, namelijk een effectief geoliede organisatie die ook inhoud oplevert.”
Hebt u met een nieuw kabinet in zicht goede hoop voor het onderwijssysteem?
Lachend: “Denkend aan de praktische mogelijkheden ─ met verschillende nagenoeg even grote polariserende partijen ─ zie ik geen kabinet gevormd worden dat veel voor het onderwijs zal gaan doen. Er is veel terechte kritiek op het onderwijsbeleid van de laatste twintig jaar. Maar de achteruitgang in het onderwijs valt samen met een verandering van houding en cultuur die niet is veroorzaakt door politieke maatregelen. Hoop op het kabinet? De kansen op een doortastend kabinet dat aan onderwijs een hoge prioriteit geeft, lijkt me niet groot. Dat is wel nodig. Het polderen moet eens klaar zijn. We moeten keuzes durven maken. Iets wat in de Nederlandse politiek altijd al een probleem is.”
-------------------------
Lees verder: Inhoudsopgave Forum 10e jaargang, nummer 2