Leidse stellingen
Ze zijn te vinden op een los velletje papier tussen de volgeschreven pagina’s van het proefschrift. Twaalf of dertien zinnen met eigen bevindingen, kleine speldeprikken, interessante ontdekkingen en boeiende theorieën. Een selectie van stellingen uit recent verschenen proefschriften bij de faculteit der Geestewetenschappen.
Forum - 6 november 2008
Elena Tribushinina
Cognitive reference points
Semantics beyond the prototypes in adjectives of space and colour
Stelling 1. De relevantie van cognitieve referentiepunten is een substantieel universale in natuurlijke talen. Het gebruik van cognitieve referentiepunten ligt ten grondslag aan zeer veel en zeer diverse taalverschijnselen.
Uit psychologische studies is herhaaldelijk gebleken dat mensen referentiepunten (d.w.z. mentale ankers) gebruiken bij uiteenlopende cognitieve processen zoals categorisatie, perceptie, marktgedrag, ruimtelijke en sociale cognitie. Langacker (1993) heeft aangetoond dat referentiepunten ten grondslag liggen aan een aantal grammaticale constructies zoals possessieven, topicconstructies en anaforen en ook aan metonymie. Mijn proefschrift laat zien dat cognitieve referentiepunten een belangrijke rol spelen niet alleen in grammatica, maar ook in de lexicale semantiek. Vooral bij de interpretatie van vage woorden zoals groot en klein maken mensen vaak gebruik van referentiepunten zoals prototypen, het menselijk lichaam, de midden- en eindpunten van een schaal. Hoewel deze termen vaag zijn, begrijpen mensen elkaar omdat de conceptuele specificaties van de woorden verankerd worden aan een aantal referentiepunten. Het totaal aan referentiepunten en de inhoud daarvan verschillen per taal en cultuur. Maar het basale mechanisme van referentiepuntgebruik is universeel.
Stelling 3. Omdat referentiepunten voor kleurtermen contextafhankelijk zijn, kunnen deze woorden geen absolute betekenissen hebben.
Sapir was waarschijnlijk de eerste die onderscheid maakte tussen relatieve en absolute termen. Tot op heden is deze tweedeling heel belangrijk gebleven binnen de semantiek. Dimensionele en evaluatieve adjectieven worden vaak genoemd als typische relatieve woorden. Kleuradjectieven worden daarentegen beschouwd als prototypische absolute termen met contextonafhankelijke betekenissen. In dit proefschrift wordt betoogd – anders dan gangbaar is in de traditie – dat kleurtermen geen absolute betekenissen hebben. Ten eerste kunnen ze in verschillende nominale contexten verschillende kleuren betekenen. Een rode kat is bijvoorbeeld oranjekleurig, rode wijn is donkerrood en rode kool is paars van kleur. Ten tweede heeft het promotieonderzoek aangetoond dat verschillende AN-combinaties ook verschillende referentiepunten oproepen. Vandaar dat we combinaties als rode wijn niet interpreteren als afwijking van een prototypische bloedrode kleur. We weten meteen de juiste variant van rood te activeren doordat we kennis hebben van combinatiespecifieke prototypen.
5. Er bestaat tussen talen een grote variatie in schaaltypen die door bepaalde groepen van adjectieven worden opgeroepen.
Op dit moment geldt als algemeen aanvaarde waarheid dat relatieve adjectieven open schalen oproepen. De reden hiervoor is dat deze woorden in talen als Engels en Nederlands (dus in de goed bestudeerde talen) in principe incompatibel zijn met maximizers (zoals helemaal, volledig) en approximators (zoals bijna). Uit mijn onderzoek komt echter naar voren dat deze eigenschap van relatieve adjectieven niet universeel is. In Slavische talen als Russisch en Bulgaars kunnen subtermen als ‘laag’, ‘klein’ en ‘koud’ wel gecombineerd worden met maximizers. Een belangrijke conclusie die in het proefschrift wordt getrokken is dat er geen een-op-eenrelatie bestaat tussen een type adjectief (relatief versus absoluut) en een type schaal die door een adjectief wordt opgeroepen.
7. Taal is een communicatiemiddel en moet als zodanig worden bestudeerd.
Het is heel gebruikelijk (zeker in Nederland) om taal als een soort puzzel te bestuderen. Dit is op zichzelf heel intrigerend, alleen heeft het heel weinig te maken met wat taal eigenlijk is. Taal is niet ontstaan als een soort speelgoed om mee te puzzelen, maar als belangrijk communicatiemiddel. Om een voorbeeld te geven: zinnen als Dit is een hoog hek worden in de semantiek doorgaans geïnterpreteerd als ‘dit hek is hoger dan gemiddeld of verwacht’. Wanneer je deze zin echter in een natuurlijke context aan taalgebruikers voorlegt (bv. bij een tuinhekje), dan komen ze met totaal andere referentiepunten dan het gemiddelde. Ze noemen een hek dan hoog als het te hoog is om de buren te zien (overschreden maximum) of als het hoger is dan zijzelf. Hetzelfde blijkt uit de analyse van duizenden reële voorbeelden uit de geschreven en gesproken corpora.
10. Zolang het makkelijker is een proefschrift te schrijven dan de ouders van de kandidaat voor de promotie naar Nederland te laten komen kan er nog geen sprake zijn van volwaardige internationale samenwerking en openheid.
Rusland staat bekend als een land met een uitgesproken anti-vreemdelingenbeleid. Als je Rusland wil bezoeken moet je een uitnodiging hebben en een visum aanvragen. Dat betekent dat je naar Den Haag moet komen of een plaatsvervanger moet sturen. De behandeling van zo een aanvraag duurt ongeveer 7-8 werkdagen, waarna je je visum kunt ophalen. Met enige regelmaat hoor ik Nederlanders bij het Russische consulaat klagen dat ze het te veel werk vinden om twee keer helemaal naar Den Haag te moeten komen en dat Rusland onnodig moeilijk doet. Bij de Nederlandse ambassade in Moskou gaat het op het eerste gezicht wat efficiënter want je kunt daar je visum al binnen 5 werkdagen afhalen. Maar het is schijnefficiëntie. Men vergeet bewust of onbewust dat de afstand tussen bijvoorbeeld Vladivostok en Moskou negen duizend kilometer is, veel groter dus dan de afstand tussen bijvoorbeeld Amsterdam en Den Haag. Je moet je visumaanvraag persoonlijk indienen en dan een week wachten voor het visum kan worden afgehaald. Wachten in Moskou betekent verblijf in een van de duurste steden van de wereld en het alternatief van heen en weer vliegen kost ook zo’n 800 euro. Voor rijke zakenlieden is dit misschien geen probleem. Maar hoe moet een academicus dit aanpakken?
Lees verder: PhD Defence Elena Tribushinina (LUCL Website)
Han Nijdam, Lichaam, eer en recht in middeleeuws Friesland.
Lichaam, eer en recht in middeleeuws Friesland
Een studie naar de Oudfriese boeteregisters
Stelling 2. Eer is een belichaamd fenomeen, dat tot nu toe te weinig vanuit die invalshoek bestudeerd is.
Eer – een begrip waar weinig Westerlingen zich nog iets bij voor kunnen stellen – kan mijns inziens het best begrepen worden door het te zien als een invloedssfeer die zich vanuit het menselijk lichaam uitstrekt tot daarbuiten. Hoe ver, dat hangt af van het individu. Iemand met veel eer heeft een grote invloedssfeer. Binnen die sfeer vallen zaken die tot de eer van de betreffende persoon worden gerekend. Die zaken (dat kunnen dus ook andere personen zijn) aan te vallen veroorzaakt een fysieke pijn, die om een reactie vraagt: wraak. Door eer als iets lichamelijks te zien dat een culturele uitwerking heeft, is het mogelijk de primaire reacties te verklaren die rondom eer of bij gekrenkte eer optreden.
Stelling 4. Middeleeuwse vechtboeken tonen aan dat in Europa een systeem van zelfverdediging bestond dat vergelijkbaar was met het Japanse bujitsu. Beide systemen vertonen overeenkomsten, die deels te herleiden zijn tot universele 'body mechanics'. Deze verdienen het nader onderzocht te worden.
Middeleeuwse vechtboeken zijn instructieboeken voor verdediging met of zonder wapens, in harnas en te paard. De oudste stamt uit ca. 1300. Het is frappant om in deze boeken technieken beschreven te zien die nu uit de Japanse en andere Oosterse krijgskunsten bekend zijn. Er zou onderzocht moeten worden hoeveel van deze overeenkomsten berusten op onderlinge contacten in het verleden en hoeveel op het gebruik maken van de algemene structuur en bewegingsmechanismen van het menselijk lichaam. Een dergelijk onderzoek zou de basisprincipes van alle krijgskunsten kunnen blootleggen.
Stelling 5. Historisch taalkundigen en historici hebben te weinig oog voor de resultaten die binnen het interdisciplinaire veld van de cognitiewetenschappen behaald worden. Deze in hun eigen onderzoek te betrekken kan grote winst opleveren.
Het postmodernisme is binnen de geesteswetenschappen nog steeds het heersende paradigma. Hierdoor wordt niet onderkend dat de menselijke geest op een bepaalde manier werkt, en dus over veel culturen en tijden heen dezelfde of vergelijkbare cultuuruitingen geproduceerd heeft. Dat in The Blank Slate van Steven Pinker (2002) nog zo'n vurig pleidooi moet worden gehouden voor het breed erkennen van de cognitieve architectuur waarmee een mens altijd ter wereld komt en de gevolgen daarvan voor cultuur en samenleving, toont hoezeer deze inzichten nog moeten doordringen in diverse disciplines. En dat terwijl ze verstrekkende gevolgende hebben voor de interpretatie van taal en cultuur.
Stelling 8. Er zou, als opvolger van het vak oudgermanistiek, een nieuwe discipline 'Vergelijkende taal- en cultuurgeschiedenis van Noordwest-Europa' in het leven moeten worden geroepen. Het verdient daarbij de voorkeur sterke banden aan te knopen met de keltistiek.
De oudgermanistiek bestaat in Nederland niet meer als zelfstandige discipline. Alleen de historisch-taalkundige poot ervan staat nog overeind. Maar het onderzoeken en reconstrueren van de 'Germaanse' cultuur wordt niet of nauwelijks nog gedaan. Dit heeft alles te maken met de besmetting van de term 'Germaans' sinds de Tweede Wereldoorlog en het feit dat het vak Oudgermanistiek daar in Nederland nooit een goed antwoord op heeft geformuleerd. De nieuwe discipline 'Vergelijkende taal- en cultuurgeschiedenis van Noordwest-Europa' zou zich daarom niet alleen met een reconstructie van de Germaanse cultuur moeten bezig houden (en daarbij zeer alert zijn voor de overeenkomsten met en verschillen tussen de Keltische cultuur), maar ook met de beeldvorming omtrent het begrip Germaans in de loop der eeuwen. Daarmee zou zij in staat zijn een bijdrage te leveren aan actuele debatten over (nationale) identiteit in Nederland. Een deel van die identiteit bestaat namelijk uit een 'Germaans' maar nu onderdrukt verleden.
Stelling 9. De onevenredige nadruk van de Friese Beweging op de Friese taal als het wezenskenmerk van de Friese identiteit heeft als nadelige neveneffecten gehad dat Friezen die geen Fries spreken niet als 'echte Friezen' gezien worden en dat de cultuur waarmee de Friese taal vanouds verknoopt is, verwaarloosd is.
Het fenomeen identiteit kent vele facetten. Zo bezit bijna iedereen tegelijkertijd meerdere identiteiten. De Friese Beweging heeft, als taalemancipatiebeweging, altijd zwaar de nadruk gelegd op het beheersen van de Friese taal op het niveau van een native speaker als voorwaarde voor het zich mogen aanmeten van de Friese identiteit. Daardoor is de Friese identiteit een vrij exclusieve aangelegenheid geworden: slechts iets meer dan de helft van de inwoners van de provincie Friesland spreekt van huis uit Fries. Het alternatief zou een inclusievere variant zijn, waarbij bijvoorbeeld iedereen die in Friesland woont of van Friese afkomst is, zich 'Fries' mag noemen. Door de absolute nadruk op de taal werd er bovendien minder aandacht besteed aan de materiële en non-materiële cultuur van Friesland. Die werd voor een deel zelfs als achterhaalde folklore gezien. Taal en cultuur horen echter bij elkaar. De afkalving van de Friese taal die ondanks alle inspanningen heeft plaatsgevonden in de loop van de 20e eeuw had naar mijn mening deels voorkomen kunnen worden als de Friese Beweging een meerfrontenstrategie had gekozen, waarbij de Friese identiteit op meer gebaseerd zou zijn geweest dan op de taal alleen.
Lees verder: Leids Repositorium
-------------------------
Lees verder: Inhoudsopgave Forum 8e jaargang, nummer 6