'Een literatuurgeschiedenis met Nooteboom voorop is hier ondenkbaar'
Forum - 6 november 2008
Literatuur wordt op allerlei manieren bestudeerd, maar de leerstoel die Olf Praamstra (1950) zal betreden is nieuw. Zijn opdracht luidt: Nederlandse literatuur in contact met andere culturen en op vrijdag 21 november 2008 zal hij zijn oratie uitspreken. “Studenten Dutch Studies kunnen veel beter vergelijkingen maken tussen de Nederlandse en een andere taal en cultuur.”
door Sjaak Baars
Eindelijk is het zover.
"Op 1 juni 2007 werd ik benoemd tot bijzonder hoogleraar voor deze leerstoel. De leerstoel wordt gefinancierd door het Leids Universitair Fonds. Soms duurt het even voordat je je oratie kunt uitspreken, bijvoorbeeld omdat er gewoon even geen zaal is."
Wat is er belangrijk aan uw onderzoeksgebied?
"Voor een deel is het nieuw en het heeft eigenlijk twee benaderingen. De eerste is: hoe denkt men in het buitenland over de Nederlandse literatuur? Er is wel onderzoek naar gedaan, maar absoluut niet veel. In Nederland zijn we redelijk tevreden over onze literatuur, maar hoe doen we het in het buitenland? We weten dat de Nederlandse literatuur in Duitsland vrij populair is, maar dat zijn niet onze grote schrijvers Hermans en Reve, maar Nooteboom, die bij ons toch niet zó groot is. In Duitsland verscheen een Duitstalige Nederlandse literatuurgeschiedenis met voorop een foto van Nooteboom. Dat is hier ondenkbaar.
Het tweede onderzoeksgebied is de Nederlandse literatuur die buiten Nederland is ontstaan. Dit is gebeurd in Nederlands-Indië, Suriname, Zuid-Afrika en op de Antillen. Het is de erfenis van onze koloniën. De literatuur van Nederlands-Indië is redelijk bekend, in elk geval sinds de jaren ’70, maar de Nederlandse literatuur uit Zuid-Afrika helemaal niet. Samen met Eep Francken van de opleiding Nederlands Taal en Cultuur heb ik een bloemlezing samengesteld met werk van deze grotendeels onbekende Nederlandse auteurs uit Zuid-Afrika."
Is de aandacht hiervoor uniek in Leiden?
"Het is niet uniek. In Leiden kennen we de schrijvers wel, want het zit in het onderwijs, maar aan de Universiteit van Amsterdam zijn er leerstoelen voor de letterkunde van Nederlands-Indië en Suriname, de Antillen en Aruba. Wat wel bijzonder is aan Leiden is het KITLV, het Koninklijk Instituut voor Taal- Land en Volkenkunde. Dat heeft de grootste collectie boeken ter wereld van en over onze voormalige koloniën en is daarmee natuurlijk een goede plek voor onderzoek."
Hoe bent u bij de opleiding Dutch Studies terecht gekomen?
"Ik heb Nederlands gestudeerd aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Daar ben ik in 1979 afgestudeerd op het werk van Conrad Busken Huet (1826-1886) en in 1991 ben ik gepromoveerd op zijn kritieken. Vorig jaar is mijn biografie over Busken Huet verschenen. Door het bestuderen van deze man krijg je een prachtig overzicht van het intellectuele leven in de 19e eeuw, want hij is zeer divers. Hij mengde zich in het debat over theologie, letterkunde, politiek en cultuurgeschiedenis; hij was predikant, journalist en letterkundige, en schreef erg goed. Verder woonde hij in verschillende landen, naast Nederland ook in Nederlands-Indië en Frankrijk. Een afwisselend leven dus, en daarmee heel breed. Na mijn promotie ben ik als universitair docent gaan werken aan de VU. Hierna heb ik drie jaar gewerkt voor het Constantijn Huygens Instituut in Den Haag, dat tekstedities maakt. Sinds 1992 ben ik werkzaam in Leiden bij de opleiding Dutch Studies."
Wat maakt het anders te werken voor een opleiding met internationale studenten?
"De opleiding Dutch Studies bestaat uit taalverwerving en kennis van de Nederlandse taal en cultuur en verschilt daardoor wezenlijk van de opleiding Nederlandse Taal en Cultuur. De buitenlandse studenten die bij ons studeren moeten eerst de taal nog leren, en hebben een andere culturele achtergrond. Bovendien geven wij onze studenten niet alleen onderwijs in de Nederlandse taal- en letterkunde, maar ook in de geschiedenis en kunstgeschiedenis van Nederland. Verschillend is ook dat buitenlandse studenten anders reageren dan Nederlandse studenten. Veel is nieuw voor hen en dit merk je in de colleges. Aziatische studenten bijvoorbeeld weten weinig van het christendom, of de klassieke oudheid. Dit zijn dingen die je in onze cultuur al vanaf de lagere school meekrijgt.
Ik voel me niet geremd doordat ik met buitenlandse studenten werk. Het gaat wat langzamer in het begin en je moet soms op een eenvoudige manier iets uitleggen, maar na 2 jaar is hun taal prima en zitten ze op het niveau van studenten Nederlands. Ze zijn natuurlijk niet minder intelligent, maar je moet ze meer achtergrondinformatie geven. Daarnaast is het feit dat ze een andere moedertaal hebben ook weer een groot voordeel. Hierdoor kunnen zij veel beter vergelijkingen maken tussen de Nederlandse en een andere taal en cultuur."
Wat zijn uw plannen als hoogleraar?
"Eigenlijk wil ik drie dingen doen. Het eerste is onderzoek naar de postkoloniale Nederlands-Indische letterkunde en dan vooral de tweede generatie Nederlands-Indische schrijvers. Verder wil ik samen met Eep Francken een literatuurgeschiedenis schrijven over de Zuid-Afrikaanse Nederlandse schrijvers. En ten slotte wil ik kijken naar de receptie van de Nederlandse literatuur in het buitenland. Dit is een project waarin ik samenwerk met zes docenten van zes buitenlandse universiteiten. Allereerst gaan we kijken naar Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. We stellen vragen als: Hoe wordt Hugo Claus ontvangen in die landen? En hoe komt dat dat dit in elk land weer anders is?
Dit laatste aspect geeft, naast de informatie over de receptie ook meer zicht op de Nederlandse literatuur. In Nederland hebben wij bij het lezen van een boek van W.F. Hermans een bepaald verwachtingspatroon. In het buitenland hebben ze dit niet. Daar zijn voor ons gevestigde namen min of meer debutanten. Je kunt daardoor beter zien wat hen aanspreekt in een boek."
Praamstra: 'Om te weten te komen waarom sommige auteurs het wel goed doen, en andere niet, en hoe je de Nederlandse literatuur in het buitenland beter onder de aandacht kan brengen, moet er nog veel onderzoek verricht worden.'
Hoe zit het eigenlijk met de Nederlandse literatuur in het buitenland?
"Er wordt veel vertaald en uitgegeven, over de hele wereld, maar veel van die boeken vinden maar moeilijk lezers. Meestal blijft het bij maar één druk. Kijk maar eens hoeveel Nederlandse schrijvers je vindt in een boekhandel in het buitenland. Afgezien van Duitsland vind je die slechts bij hoge uitzondering. Er is geprobeerd om door het opzetten van een ‘Nederlandse bibliotheek’ hierin verandering te brengen, maar tot nu toe is dat nog niet gelukt. Sommige auteurs zijn een tijd lang populair geweest, zoals Jan Wolkers en Maarten ’t Hart in Zweden. Maar om te weten te komen waarom sommige auteurs het wel goed doen, en andere niet, en hoe je de Nederlandse literatuur in het buitenland beter onder de aandacht kan brengen, moet er nog veel onderzoek verricht worden. Wel is er een trend dat de Nederlandse ‘exotische’ schrijvers populairder zijn. Vroeger kwamen die uit onze (voormalige) koloniën, nu zijn het auteurs van migrantenliteratuur als Abdelkader Benali en Kader Abdolah."
Verandert uw rol als bijzonder hoogleraar?
"Eigenlijk niet. Het enige dat verandert is dat ik mensen nu kan laten promoveren en geen copromotor hoef te zijn. Ik ben al voorzitter van de opleiding sinds 2001, en sinds die tijd doe ik het werk dat van een hoogleraar verwacht wordt. Normaal gesproken is het hoofd van een opleiding hoogleraar. Zeker in het buitenland was het lastig uit te leggen dat dit niet zo was. Naar buiten toe is het dus wel belangrijk, vooral ook voor de bekendheid van de opleiding. De leerstoel is een aanwinst omdat het vakgebeid nieuw is en daardoor studenten en promovendi kan trekken. En het is natuurlijk een eer."
-------------------------
Lees verder: Inhoudsopgave Forum 8e jaargang, nummer 6