Personeelsplan
Forum - 21 november 2008
door Wim van den Doel, decaan
Inmiddels hebben alle medewerkers van de voormalige faculteit der Letteren het concept-personeelsplan ontvangen dat hoort bij de reorganisatie van dit deel van de faculteit. Deze reorganisatie is noodzakelijk om de faculteit weer gezond te maken.
Zoals u zich wellicht kunt herinneren, presenteerde ik op 19 december van het vorige jaar mijn eerste analyse van de situatie waarin de faculteit zich bevond, waarbij ik helaas moest constateren dat we te weinig middelen hadden voor alle taken die we op dat moment uitvoerden. Een jaar geleden dacht ik nog aan een in omvang beperkte reorganisatie, maar al snel werd duidelijk dat de gehele toenmalige faculteit der Letteren aan dit vervelende proces moest worden onderworpen.
Te weinig middelen
De constatering dat we te weinig middelen hebben voor de taken die we uitvoeren, verdient een toelichting. Het is goed deze toelichting bij het verschijnen van het personeelsplan (nogmaals) te geven, vooral aangezien er meerdere kanten aan zitten.
Allereerst moeten we constateren dat we weliswaar in een rijk land leven, maar dat we slechts mondjesmaat willen investeren in hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Onder de huidige minister van Onderwijs is dit er niet beter op geworden. Als er al extra geld voor onderwijs komt, dan is het bestemd voor het basisonderwijs. Zo groeide het aandeel van de landelijke onderwijsmiddelen dat ten behoeve van het basisonderwijs wordt besteed tussen 1995 en 2005 van 29% naar 34%, waar het aandeel voor het wetenschappelijk onderwijs daalde van 17% naar 13%. Per student krijgen de universiteiten dan ook steeds minder geld. Was de rijksbijdrage per student in 1996 nog €5.564, in 2006 was dit bedrag gedaald tot €4.878. Een besluit om onder deze omstandigheden €100 miljoen vanuit de eerste geldstroom naar NWO over te hevelen, kan niet anders dan ernstige gevolgen hebben. In theorie komt een dergelijke overheveling de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek ten goede, in de praktijk wordt er vooral schade aangericht.
Een tweede aspect waarmee we worden geconfronteerd, is het afnemende marktaandeel van de Leidse universiteit in het land. Ieder jaar verdeelt het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen namelijk op basis van 'marktaandeel' zo'n €3 miljard tussen de universiteiten. En ook al gaat het binnen het marktaandeel soms om kleine verschuivingen, financieel hebben dergelijke verschuivingen ernstige gevolgen. Zo wordt de Leidse universiteit voor 2009 een bedrag van €248,2 miljoen in het vooruitzicht gesteld op basis van een marktaandeel van 8,20%. In 2008 was dat percentage nog 8,33%. Als we dat percentage ook in 2009 hadden kunnen vasthouden, dan was de rijksbijdrage €3,8 mln hoger uitgevallen - voor onze faculteit betekent dat al gauw een paar ton extra aan middelen. Hetzelfde systeem werkt in de premies voor promoties. De rijksbijdrage hiervoor voor 2009 wordt berekend op basis van de 269 promoties die in 2007 gerealiseerd werden. Dat waren er 33 minder dan in 2006 (302). Was dat aantal ook in 2007 behaald, dan zou de rijksbijdrage €3,0 mln hoger zijn geweest.
Hier geldt natuurlijk dat we zelf iets aan de situatie kunnen doen. Vandaar dat we met elkaar hebben afgesproken te werken aan een batenstrategie - simpelweg om meer studenten over te halen in Leiden te gaan studeren en vervolgens betere onderwijs- en promotierendementen te verwezenlijken. Met de reorganisatie in strikte zin wordt dan ook niet eens de volledige financiële taakstelling van de faculteit gerealiseerd; een deel daarvan zal uit de batenstrategie moeten komen. Maar die kost wel tijd en levert niet onmiddellijk geld op.
Uitgangspunten & consequenties
Het zijn wellicht droge en abstracte cijfers die ik hierboven heb genoemd, maar ze grijpen uiteindelijk wel rechtstreeks in het leven van de faculteit in. De cijfers verklaren waarom we moeten reorganiseren.
Hoe hebben we nu de pijn verdeeld? Bij het opstellen van het Reorganisatieplan en de daaropvolgende Notitie inzake de begroting zijn daartoe twee belangrijke keuzes gemaakt, die hun gevolgen hebben gehad voor het personeelsplan.
Allereerst is afgesproken dat we nog nadrukkelijker dan voorheen het verdeelmodel binnen de faculteit laten aansluiten bij het universitaire en daarmee het ministeriële verdeelmodel. Dit wil zeggen dat we het geld verdelen op basis van het aantal gerealiseerde EC's (studiepunten) en we de promotiepremies en de premies voor 2e geldstroomsucces rechtstreeks aan de instituten doorgeven. Hierbij hebben we binnen de faculteit afgesproken dat onze kleinste opleidingen 121% verdienen van hetgeen we per studiepunt van de universiteit krijgen en onze grote opleidingen Geschiedenis en Engels slechts 85% - dit omdat het moeilijker is een kleine opleidingen te efficiënt te 'draaien' dan een grote. Verder hebben we zo'n €2 miljoen niet op basis van EC's, maar op beleidsmatige gronden ter beschikking gesteld aan de instituten ten behoeve van de zogeheten 'kleine letteren' en 'unica' - met name aan het LUCL en (vooral) het LIAS.
Het verdelen van deze middelen onder de 'kleine letteren' en 'unica' is overigens geen vrijblijvende operatie. Gezien onze beperkte middelen moeten deze vakgebieden niet alleen de doelmatigheid vergroten door samen te werken met anderen en dubbel aanbod te voorkomen, zij zullen ook betere onderwijsrendementen moeten realiseren en ook significant beter moeten presteren op het terrein van onderzoek dan van zeer studentrijke expertisegebieden verwacht kan worden. Het faculteitsbestuur zal hiertoe op korte termijn met de instituten duidelijke en bindende afspraken maken.
In de tweede plaats is besloten niet langer medewerkers te laten functioneren zonder een duidelijke taak binnen een studieprogramma en zonder dat deze ten laste van een instituut komen. Het aantal medewerkers dat 'ten laste van de faculteit' dan wel 'niet behorende tot de formatie' werkzaam was, bleek de afgelopen maanden overigens bij het zorgvuldige doornemen van de facultaire personeelsbestanden groter dan verwacht. Zeker in het domein van de taalkunde was dit het geval, hetgeen de taakstelling voor met name de directeur van het LUCL er alleen maar moeilijker op maakte. Hij had slechts de keuze de functies van deze 'boventallige' medewerkers op te heffen, dan wel op grond van beleidskeuzes deze medewerkers te laten 'indalen' in reguliere studieprogramma's - hetgeen echter onherroepelijk ten koste van de functie van weer een andere medewerker zou gaan.
Zo is het te verklaren dat de bezuinigingen niet alleen de delen van de faculteit treffen waarin al langer sprake was van een scheve verhouding tussen inkomsten en uitgaven, maar ook het LUCL, dat namelijk meer dan andere instituten te maken bleek te hebben met 'boventallige' medewerkers. Dit laat uiteraard onverlet dat het LUCL op het terrein van onderzoek voortreffelijk presteert met hoge promotierendementen en veel projecten uit de tweede geldstroom – en dat zal ongetwijfeld ook in de toekomst zo zijn. De genoemde prestatieafspraken zullen bij het LUCL dan ook specifiek de noodzakelijke batenstrategie voor een grotere studenteninstroom betreffen. Vergelijkbare afspraken met het LIAS zullen nadrukkelijk ook gericht zijn op betere prestaties met betrekking tot onderzoek.
Persoonlijk leed
Ook al zijn de keuzes die er in het concept-personeelsplan gemaakt zijn stuk voor stuk goed doordacht en ook al is het tevens waar dat aan iedere 'boventallige plaatsing' van een medewerker weer een andere begrijpelijke geschiedenis is verbonden, alles bij elkaar blijven de ingrepen die in het personeelsplan worden voorgesteld ingrijpend en zorgen ze ook voor persoonlijk leed. De bottom line is dat het uiteindelijk zeer moeilijk valt uit te leggen waarom iemand die zich voor de faculteit altijd ten volle heeft ingezet nu moet verdwijnen. Ook de 'boventallige medewerkers' waren daarbij vaak medewerkers die gewoon hun werk deden, net zoals alle andere medewerkers.
Dat we simpelweg de middelen niet hebben om andere keuzes te maken, moet voor degenen die slecht nieuws krijgen slechts als een dooddoener klinken. Ik besef met andere woorden maar al te goed dat we nu maatregelen nemen die sommige medewerkers persoonlijk diep zullen raken. Deze medewerkers hebben alle recht boos of teleurgesteld te zijn. Maar de middelen ontbreken nu eenmaal om ze in dienst te houden en we hebben de keuzes zo transparant mogelijk gemaakt op basis van heldere en rationele uitgangspunten, uitgangspunten die we uitgebreid hebben besproken, onder meer met de leden van de faculteitsraad.
Rest mij een ieder die zich in deze moeilijke tijden voor de faculteit ten volle voor onderwijs en onderzoek inzetten, van harte te bedanken. Het is niet eenvoudig gemotiveerd te blijven als uzelf of één van uw collega's met ontslag wordt bedreigd, maar onze studenten en onze vakken zijn het waard toch met energie door te gaan.
-------------------------
Lees verder: Inhoudsopgave Forum 8e jaargang, nummer 6