Schreef Leids

Nieuwe column: Marc van Oostendorp bespreekt Leidse publicaties (november 2007)

Forum - 6 november 2007

BoekMarc, column door Marc van Oostendorp

De redactie van Forum moet wel bestaan uit de uitbundigste levensgenieters die onze Faculteit ooit heeft voortgebracht. Bij voorkeur treffen de redacteuren elkaar in het Leidse etablissement De Avonden. Zodra er voor zo’n bijeenkomst gereserveerd is, worden de verloven van het keukenpersoneel ingetrokken, omdat er permanent moet worden gezwoegd op rauwehamlollies, risotto van artisjokharten met in stikstof bevroren druppels port uit 1976 en katjesdropijs overstrooid met handgeplukte Hongaarse kwetsen. Wie zou niet zwichten voor de uitnodiging van de redactie om daar eens bij aan te schuiven? Helaas, na een avond culinair-wetenschappelijk genieten wankelt de gast terug naar zijn wevershuisje aan het doodstille grachtje in de Leidse binnenstad, en voelt plotseling een contract in zijn jaszak, dat blijkt te zijn getekend met zijn eigen bloed: hij zal voortaan de rubriek Jos las Leids moeten vullen, waarin de onnavolgbare Jos Damen jarenlang de meest uiteenlopende publicaties  besprak.

Hoe nu? De rest van mijn leven alleen nog Leidse boeken lezen, boeken die door Leidse onderzoekers geschreven zijn, of door voormalige Leidse onderzoekers, of die op de een of andere manier over Leiden gaan, het blijft een beperking, maar het zou moeten lukken. Maar daar ook nog over schrijven? En dan nog zo dat het ook de goedkeuring van de redactie van Forum kan wegdragen, van wie de stilistische smaak al even geavanceerd is als de gastronomische?

Redelijkheid van de klassieke retorica

Gelukkig biedt de Leidse boekenplank altijd uitkomst. Er wordt in Leiden ook geschreven over hoe je een betoog opbouwt. Op 28 september nam Antoine Braet afscheid van de Letterenfaculteit, waaraan hij tientallen jaren verbonden was geweest als ‘taalbeheerser’ en daarbij presenteerde Jaap de Jong maar liefst drie nieuwe boeken van de hand van de scheidende UHD, die tussen 2002 en 2005 bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van de retorica was aan de Universiteit van Amsterdam. Ik heb ze alledrie gelezen.

Eigenlijk is Braet in het boek De redelijkheid van de klassieke retorica, De bijdrage van klassieke retorici aan de argumentatietheorie (dat verscheen bij Leiden University Press, een gloednieuwe imprint van Amsterdam University Press) te geleerd voor praktische tips. Hij is als onderzoeker vooral gericht geweest op de klassieke traditie. Dit enorm doorwrochte boek heeft volgens de inleiding als doel “vast te stellen welke bijdrage klassieke retorici geleverd hebben aan de geschiedenis van de argumentatietheorie.” Het analyseert in groot detail drie klassieke retorica’s: de anonieme Rhetorica ad Alexandrum (rond 340 v. Chr.), de Rhetorica van Aristoteles (ongeveer 330 v. Chr.) en de gereconstrueerde retorica van Hermagoras van Temnos (iets na 150 v. Chr.) Van alledrie die klassiekers laat hij zien wat ze zeggen over goede argumenten, en hoe die uitspraken gerelateerd kunnen worden aan de argumentatietheorie.


Anatomie van overtuigingskracht

Iets praktischer is De anatomie van overtuigingskracht.Verzamelde lessen over klassieke en moderne toespraken (en enkele andere wervende genres) (Stichting Neerlandistiek te Leiden). Dit boek bestaat uit een verzameling eerder gepubliceerde artikelen en lezingen. Wat Braet hierin doet, is: hij neemt een betoog – de Invaliderede van de Griek Lysias, maar ook president Clintons bekentenis dat hij toch wel een seksuele relatie had onderhouden met Monica Lewinsky – en analyseert die met behulp van hem uit de klassieke retorica overgeleverde middelen. Dat levert als inzicht in ieder geval op dat een goed betoog al minstens 2500 jaar dezelfde structuur heeft. Waarom dat zo is, is een interessante vraag, maar die wordt helaas niet beantwoord. Zou het zijn omdat we nu eenmaal nog steeds in de klassieke traditie verkeren? Of komt het doordat de menselijke geest nu eenmaal een bepaald type argumentatie nodig heeft om overtuigd te worden?

In ieder geval wordt Braet hier in die zin iets praktischer dat hij zelfs een tekst beschrijft die door hemzelf geschreven is. In 1990 publiceerde hij in NRC Handelsblad een stuk waarin hij het voorstel verdedigde om een verplichte boekenlijst op de middelbare school te introduceren. Dat voorstel had namelijk enorme ophef gebaard. Uit Braets beschrijving van hoe hij te werk is gegaan vallen dan ook expliciete lessen te trekken: “Op tijd aan een tekst beginnen, zodat je na een tijdje enigszins als een vreemde naar je voorlopige keuzen kunt kijken en je ook de kans op invallen maximaliseert. De tekst aan verschillende welgekozen lezers-vooraf geven. Dat zie je meestal duidelijk af aan het resultaat.” Met klassieke retorica hebben die lessen misschien nog niet eens zoveel te maken, maar daarom zijn ze natuurlijk nog wel waar.

Retorische kritiek

Het meest op de praktijk gericht betuigt Braet zich, ten slotte, in Retorische kritiek. Overtuigingskracht van Cicero tot Balkenende (Sdu Uitgevers), dat een uitgewerkte versie is van een syllabus die Braet decennialang bij zijn onderwijs in Leiden gebruikt heeft. “Voor alle beoefenaren van communicatieberoepen bevat het een even grondig als toegankelijk overzicht van de klassieke principes van hun vak”, zegt de omslagtekst. Retorische kritiek laat de zelfde methode zien, en soms zelfs geïllustreerd aan dezelfde voorbeelden – ook hier worden Bill Clintons retorische gaven in de affaire-Lewinsky weer gedetailleerd becommentarieerd – maar in dit geval wordt alles wat systematischer, om niet te zeggen schoolser, gepresenteerd. Het wreekt zich dan wel dat de syllabus al decennia lang is meegesleept, want sommige voorbeelden zijn wel erg oudbakken. Er wordt bijvoorbeeld uitgebreid stilgestaan bij een advertentie van de VVD in het kader van een verkiezingscampagne uit de jaren zeventig. De toespraak van Clinton is trouwens ook alweer tien jaar oud.


Woud van de retorica

Behalve drie boeken van Antoine Braet zelf verscheen er ook nog Het woud van de retorica. Bundel voor Antoine Braet bij zijn afscheid van de Opleiding Nederlandse taal en cultuur van de Universiteit Leiden (Stichting Neerlandistiek te Leiden).  In deze curieuze verzameling artikelen worden verbanden gelegd met onder meer de studie van P.C. Hooft, de analyse van gender in de Nationale Kinderkrant, retoriek op het oude Java, en zelfs wordt een retorische analyse gemaakt van het stationsplein van Leiden. Uit het feit dat er zoveel onderwerpen zijn die slechts zijdelings verband houden met zijn eigen werk, zou je kunnen concluderen dat Braet uiteindelijk weinig leerlingen gehad heeft, en je afvragen wat de toekomst is van zijn specifieke vakgebied, maar er staan in de bundel toch ook wel een paar artikelen die dichter bij zijn belangstelling liggen.

Echt sexy

Hoe meeslepend al dit retorische geweld ook is, uiteindelijk schiet je er niet veel mee op als je Jos Damen moet opvolgen. Braet en de zijnen zijn toch vooral geïnteresseerd in de analyse van teksten die er al liggen, en niet zozeer in tips voor de schrijver. Bovendien wil deze rubriek natuurlijk niet zozeer iets betogen, als wel, tja, wat eigenlijk? Divertissement? Maar daar heeft Braet het niet zo op. “Bij een onjuiste dosering van geestige tournures gaat het betoog lijden onder wat je diverterende overspraak zou kunnen noemen”, zegt hij in Retorische kritiek en ook zelf lijkt hij er niet erg op gericht om erg grappig te zijn. Gelukkig heeft Leiden dan ook nog een gastschrijfster, misschien valt er van haar wat te leren. Nu heeft Renate Dorrestein enkele jaren geleden een boek gepubliceerd dat Het geheim van de schrijver heet, dus ze heeft er over nagedacht. Ik las nu echter haar recentste roman, Echt sexy. Roman? Nu, goed beschouwd betreft dit ook meer een betoog, maar dan met behoorlijk wat diverterende overspraak. Met Echt sexy wil Dorrestein laten zien dat het moderne leven “krankzinnig” is, zoals ze op haar omslag schrijft: de moderne jeugd wordt aan alle kanten belaagd door seks en geweld, en voelt zich toch al zo eenzaam vanwege de gescheiden ouders.

Echt sexy doet er nog een schepje bovenop”, schrijft Dorrestein, alweer op de achterflap, “om te laten zien wat de consequenties zouden kunnen zijn.” Of dat nu een geschikte retorische techniek is, vraag ik me af. Het kan ook de opgeluchte indruk achterlaten dat het in het écht allemaal nu ook weer niet zo erg is, die indruk maakte het in ieder geval op mij.

Neem nu Dorresteins beschrijving van een galadiner: “Op dat moment wordt er omgeroepen dat we aan tafel kunnen. Meteen ontstaat er gedrang. Tommie en zijn teletubbie zijn in een oogwenk verdwenen. Topjuristen moeten goed eten, en hun cliënten eveneens, de wethouders en de plastisch chirurgen, de onroerendgoedmagnaten en de koortsachtig soapende soapies, iedereen kortom die hier vanavond aanwezig is [...]”  Zulke overdrijvingen, daar zou ik bij de redactie van Forum niet mee moeten aankomen.

Inhoudsopgave Forum 7e jaargang, nummer 6


Laatst Gewijzigd: 24-08-2011