“Wij zijn niet de eerste samenleving waar religies in conflict zijn”

Forum - 15 september 2009

Het zoroastrisme is een religie in Iran uit de oudheid. Anno 2009 wordt deze nog aangehangen door zo’n 140.000 mensen - net meer dan het inwonersaantal van Leiden. Ab de Jong houdt zich al jaren bezig met de religie. Sinds vorig jaar september is hij hoogleraar Vergelijkende Godsdienstwetenschappen. Op 21 september houdt hij zijn oratie. “De orale traditie maakt het schrijven van de geschiedenis van het zoroastrisme al snel speculatief.”

door Sjaak Baars


Hoe bent u bij dit onderzoeksgebied terecht gekomen?

“Dat is lastig te reconstrueren. Vanuit een volkomen onkerkelijke achtergrond ben ik theologie gaan studeren in Utrecht. Dit omdat het vak veel omvat: talen, geschiedenis, sociale wetenschappen, allen in dienst van één onderwerp: religie. Heel raar keek men niet op van mijn keuze; in die tijd was theologie nu eenmaal de enige studie voor mensen met interesse voor religie. Daarbij heb ik Perzisch gedaan. Dit kwam door een college bij theologie dat mij pakte. Het ging over Mary Boyce – die naam zal nog veel vallen - de onbetwiste nummer één in de studie naar het zoroastrisme. Dit pakte mij en ik wilde er meer mee. Hiervoor moest ik mij de uitgestorven talen meester maken en daar heb je allereerst het Perzisch bij nodig. Bij de studie ging een wereld voor mij open. Het was heel anders. Bij Godgeleerdheid had ik traditionele hoorcolleges, maar bij een taal ben je veel actiever bezig. Je hebt veel werkcolleges en moet er gewoon zijn om je alles eigen te maken.”

Wie is die Mary Boyce en wat is er zo bijzonder aan haar werk?

“Mary Boyce – Brits onderzoeker - ging tegen de algemeen aanvaarde gedachte in dat het levende zoroastrisme geen invloed zou hebben op hoe we kijken naar deze religie. Ze besloot, ondanks dat ze door velen voor gek werd verklaard, naar Iran te gaan en te leven in een zoroastrisch dorp. Dat is een heel andere manier dan alleen in de antieke bronnen te kijken. Toen ik college over haar werk kreeg, wilde ik me er in gaan verdiepen. Na mijn studie in Utrecht ben ik voor een jaar in Londen geweest om oud- en middel-Iraanse talen te leren. Terug in Nederland heb ik een NWO-aanvraag gedaan en werd ik AIO in Utrecht. Mijn dissertatie ging over de informatie in Griekse en Latijnse bronnen over het zoroastrisme. Wat schreven de buren over de religie?”




Waarom is dit van belang?

“De zoroastriërs hebben weinig achtergelaten. Ondanks dat ze het schrift kenden en gebruikten, leefden ze deels in een orale traditie. Religie en letterkunde werden niet op schrift gezet. We hebben alleen twee clusters van schriftelijke bronnen, de een van de eerste 500 jaar van de religie, de ander uit de 9e eeuw na Christus. Daartussen zit niks. Dat is vervelend voor het onderzoek en maakt het schrijven van de geschiedenis van de religie nogal speculatief. Naast de weinig bronnen is ook de aanwezigheid van archeologische bronnen beperkt. Het zoroastrisme was een mobiele religie. Ze gebruikten geen tempels, maar hielden hun rituelen in de open lucht.”

Is de informatie van de buren wel te vertrouwen dan? Dit waren immers vijanden.

“Je loopt snel het risico dat je een normatieve traditie destilleert uit de clusters: ‘Kenmerkend voor het Zoroastrisme is a, b en c en als een Griek iets zegt over d, dan kan het niet waar zijn.’ Verder is een probleem dat er aspecten zijn van de Iraanse religie die de Grieken heel bijzonder vonden. Hier schreven ze erg veel over, bijvoorbeeld huwelijken met eerstegraads verwanten. Een huwelijk tussen vader en dochter werd goed bevonden, maar dit gaat tegen de Griekse cultuur in. Schreven de Grieken hier nu veel over omdat het van groot belang was in het zoroastrisme of omdat het vreemd voor hen was? Een zelfde voorbeeld is dat de zoroastriërs tegen begraven en cremeren zijn. Een lichaam wordt buiten gezet en opgegeten door de gieren. In de Griekse letterkunde is dit echt het ultieme kwaad. Toch blijkt uit archeologisch onderzoek dat sommige zoroastriërs wel begraven werden. Doen ze dan niet wat de religie voorschrijft? Allemaal vragen die maken dat het onderzoek een grote puzzel is.”

Na uw dissertatie ging u naar Leiden.

“In Leiden ben ik terecht gekomen na mijn post-doc in Jeruzalem. Daar heb ik onderzoek gedaan naar hoe zoroastriërs zichzelf zagen in de periode 3e eeuw na Christus tot de 7e eeuw na Christus. Wat deed de competitie met christenen? Vóór het christendom werd religie bepaald door geboorte. Bekeren van anderen was afwezig. Zoroastriërs moesten zich met de komst van het christendom gaan verdedigen tegen aanvallen van anderen. Daarna ben ik in Leiden gekomen en werd ik na een post-doc universitair docent.”

Bent u alleen met uw specialisme bezig?

“Naast mijn eigen specialisme moet ik uiteraard ook werken aan andere onderwerpen, maar dat vind ik ook heel leuk. Je leert veel door algemene vragen te stellen. Ook leer ik veel van de colleges. We hebben een breed aanbod van vakken bij onze drie opleidingen. Ik geef veel college, in de bachelor en in de master, voor Vergelijkende Godsdienstwetenschappen en antieke godsdiensten. Ik heb nooit genoeg tijd voor onderzoek, maar ik vraag me af of minder onderwijs leidt tot een hogere onderzoeksproductie. Jammer is dat het aan onze faculteit lastig is studenten in te zetten bij je onderzoek, maar onderwijs helpt je ook heel erg. Van vragen word je beter.”

En nu op de leerstoel Vergelijkende Godsdienstwetenschappen.

“Het is de op één na oudste leerstoel in de Godsdienstwetenschap ter wereld. De Zwitsers waren een jaar eerder. C.P. Tiele zat op deze leerstoel en heeft de Godsdienstwetenschap - door invloedrijke nationale en internationale activiteiten - als academische discipline gestalte gegeven. Maar de leerstoel is ook weer nieuw. Mijn voorganger Sjoerd van Koningsveld deed de islam in West-Europa én de Vergelijkende Godsdienstwetenschappen. Deze twee zijn weer gescheiden. Maurits Berger doet de islam en ik dus de Vergelijkende Godsdienstwetenschappen. Voor de samenhang van de opleiding vind ik het goed dat er een aparte leerstoel is voor Vergelijkende Godsdienstwetenschappen. De leerstoel gaat – door de veranderingen binnen het instituut – meer in op algemene vragen: religie als verschijnsel. Dus bijvoorbeeld het vergelijken van de rol van voedsel bij religies. Wat mag wel en wat niet?”

Terug naar uw specialisme. Hoe belangrijk is Boyce? Is zij uw voorbeeld?

“Nee, zij is niet mijn voorbeeld. Ze heeft enorm veel betekend voor de studie van het zoroastrisme. Ze was – in 2006 is ze overleden – de onbetwiste specialist, maar ik ben het niet met haar eens. Ze zag continuïteit bij het zoroastrisme: van Zarathustra (1000 voor Christus) tot het moderne zoroastrisme dat ze aantrof tijdens haar jaren in Iran. Meer dan andere geleerden aannemen vond zij dat de rituelenwereld van groot belang is voor het huidige, maar ook voor het antieke zoroastrisme. Hierdoor had ze een geweldig instrument in handen, want als je ‘weet’ wat het zoroastrisme is, kun je alles beoordelen. Maar zo werkt het natuurlijk niet.”

Toch zet u haar werk voort. Hoe kan dat wanneer jullie niet op een lijn zitten?

“Boyce is begonnen met de serie A History of Zoroastrianism en heeft daar de eerste drie delen voor geschreven. Het vierde voor de helft. Dit deel gaat over de Parthen, een volk in Noord-Oost Iran waar heel weinig over bekend is. Dit deel zit nu nog in deze kartonnen doos, maar ik ga het afmaken. Het zal een boek met twee zielen worden, maar mijn visie past er wel degelijk in. Het zal minder afwijken dan mensen zullen denken. Daarna zal ik deel vijf, zes en zeven schrijven. Daar zal ik nog wel zo’n twintig jaar over doen.”

Bent u nu dé specialist?

“Dat kun je natuurlijk nooit over jezelf zeggen. Maar het is een klein veld, dus landelijk ben je al snel de specialist. Als ik grof schat zijn er zo’n 50 mensen die er onderzoek naar doen, maar daarvan zijn er die alleen taalkundig bezig zijn. Het kleine veld is eigenlijk een belemmering, je hebt immers weinig kritische massa.”

De onvermijdelijke vraag: wat is er zo belangrijk aan deze studie?

“Er zijn geen belangrijke en onbelangrijke godsdiensten. Bij het zoroastrisme is van belang dat het een van de weinige religies is die we kunnen traceren over een periode van drie millenia, dat het een religie is van een grootmacht in de antieke wereld, en verder wordt vermoed dat het zoroastrisme groot effect heeft gehad op de ontwikkeling van het jodendom, het christendom en andere religies. Maar dit is zeer moeilijk aan te tonen.”

Wat zijn uw plannen als hoogleraar?

“Wat onderwijs betreft wil ik meer studenten trekken en willen we weer wat aan het hindoeïsme doen. Wat onderzoek betreft wil ik het vierde deel van de serie afmaken. Verder wil ik een project starten over het Mesopotamië in de periode 3e eeuw na Christus tot de 7e eeuw na Christus waarin de zoroastriërs naast joden, christenen en aanhangers van twee andere religies leven. Een van die twee is het mandeïsme waar ik de geschiedenis voor wil schrijven. Er is nog weinig over bekend. Voor de Vergelijkende Godsdienstwetenschappen wil ik minder op tradities ingaan en meer op de interactie en competitie tussen religies. Wij zijn niet de eerste samenleving waar religies in competitie zijn.”  


-------------------------

Lees meer: Inhoudsopgave Forum 9e jaargang, nummer 5

Laatst Gewijzigd: 30-08-2011