Herinrichting facultaire organisatie: FAQ
Forum - 25 mei 2007
Tussen 5 en 20 juni zijn er vijf bijeenkomsten geweest, waarop het faculteitsbestuur de voorstellen voor de herinrichting van de facultaire organisatie heeft toegelicht. Op deze goedbezochte bijeenkomsten hebben de facultaire medewerkers veel vragen gesteld. Een selectie uit deze vragen èn de antwoorden vindt u hieronder. Deze gaan vooral over de organisatie van het onderwijs en onderzoek; deideeën voor de ondersteunende organisatie zullen de komende tijd verder worden uitgewerkt.
1. Waarom gebruikt het bestuur in haar voorstellen de term programma in plaats van opleiding?
De term programma wordt gebruikt omdat bedoeld wordt de bachelor- en master-onderwijsprogramma’s in de zin van de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW): een in het CROHO geregistreerd onderwijsprogramma, zoals de BA-opleiding Franse taal en cultuur of de MA-opleiding Talen en culturen van Afrika.
De term opleiding is dubbelzinnig omdat daarmee zowel het onderwijsprogramma als de organisatorische eenheid met bestuurlijke verantwoordelijkheid voor een of meer programma’s kan worden bedoeld. Dat zou juist in de huidige discussie verwarrend werken, omdat het faculteitsbestuur voorstelt de medewerkers onder te brengen in vier disciplinaire en twee regionale instituten (zie onderaan deze pagina: organogram PDF).
2. Wie wordt verantwoordelijk voor de verschillende programma’s en wat is de rol van de programmadirecteur?
In de nieuwe organisatiestructuur krijgen alle programma’s een plaats in een van de twee scholen: de bachelorprogramma’s in de undergraduate school, de MA-, M.Phil- en Ph.D.-programma’s in de graduate school. Ieder programma heeft een programmadirecteur; iedere school staat onder leiding van een dean, die lid is van het faculteitsbestuur.
De dean is eindverantwoordelijk voor de programma’s van de school. Net als het faculteitsbestuur nu, zal de dean algemene kaders stellen. Denk aan een kader als het format voor de nieuwe bachelorprogramma’s. De programmadirecteuren hebben het initiatief bij de invulling van hun programma en de dagelijkse zorg voor de uitvoering daarvan. Hun positie is in zekere zin vergelijkbaar met die van de huidige opleidingsvoorzitter. Bij de uitvoering van taken kan de programmadirecteur rekenen op adequate ondersteuning (onderwijsorganisatie, secretarieel). Door het aangaan van personele unies tussen verwante BA- en MA-programma’s, zal het aantal programmadirecteuren beperkt blijven.
Het faculteitsbestuur wil de inrichting van het programmaniveau beperkt formeel regelen, mede omdat de programma’s sterk verschillen in omvang. Groepen medewerkers rond een bepaald programma (programmadirecteur, docenten, opleidings- en examencommissie), zou je kunnen aanduiden als opleiding. Dit is echter wel een ander soort eenheid dan die we nu kennen.
3. Wat verandert er ten aanzien van examen- en opleidingscommissies?
Ten aanzien van examen- en opleidingscommissies verandert er niets. De WHO bepaalt alleen dat er examen- en opleidingscommissies moeten zijn en deels ook hoe deze zijn samengesteld. Zo biedt de wet de mogelijkheid om voor verwante programma’s een gemeenschappelijke examencommissie of opleidingscommissies in te richten. Deze mogelijkheid, waarvan ook nu al gebruik wordt gemaakt, wil het bestuur blijven benutten.
4. Hoe gaat het met de toekenning en het beheer van medewerkers en geld in de nieuwe organisatie?
Het huidige model voor de toekenning van medewerkers en geld, het zgn. allocatiemodel voor onderwijs en onderzoek, zal grotendeels ongewijzigd blijven. De voorgestelde instituten (zie bijlage) ontvangen – in de vorm van personeelsformatie of budget – de onderzoekscapaciteit. De instituten beheren deze capaciteit en hebben onder meer als opdracht om te zorgen dat medewerkers ook daadwerkelijk tijd hebben voor onderzoek.
Het allocatiemodel bepaalt ook hoeveel capaciteit (formatie of budget) er beschikbaar is voor onderwijs: voor de afzonderlijke undergraduate- (BA) en graduate-opleidingen (MA, M.Phil, Ph.D.). De deans van de undergraduate en graduate school ontvangen deze capaciteit en stellen deze ter beschikking van hun programmadirecteuren. De programmadirecteuren zullen deze middelen gebruiken om medewerkers uit de verschillende instituten voor de verzorging van hun programma’s in te zetten. De instituten ontvangen van de programmadirecteuren een vergoeding (formatie of budget) voor het gegeven onderwijs.
5. Wat gebeurt er als een te groot beroep op bepaalde medewerkers wordt gedaan?
De directeur van een instituut is verantwoordelijk voor de verdeling van het werk, zowel onderwijs als onderzoek, over de medewerkers. Als een medewerker “populair” is, zal de directeur de verschillende belangen tegen elkaar afwegen. Zonodig zullen de deans, of in tweede instantie het faculteitsbestuur, de knoop doorhakken.
6. Gaan met deze organisatievorm de beste docenten niet verloren voor de bachelorprogramma’s?
Het faculteitsbestuur vindt dat dit beslist niet mag gebeuren. Om goede bachelorprogramma’s te blijven verzorgen moeten de beste docenten ook in de bachelorprogramma’s cursussen geven. De instituuts- en programmadirecteuren zijn daarvoor samen verantwoordelijk. Zonodig zullen de deans hier ingrijpen.
7. Waarom wordt het wetenschappelijke personeel nu in instituten ondergebracht?
De invoering in 2002 van een onderwijsstructuur met undergraduate, graduate en postgraduate opleidingen èn de keuze van de Universiteit Leiden voor een research intensive profiel maakt een organisatievorm noodzakelijk, waarin er ruimte voor een nauwere band tussen het onderzoek en het onderwijs, in het bijzonder het (post)graduate onderwijs, wordt gecreëerd. Daarbij merkt het faculteitsbestuur regelmatig dat de huidige organisatiestructuur er feitelijk een is van lijnen naar de oude vakgroepen. Dit belemmert een goede inzet van de medewerkers. Om de vele en vooral de kleinere opleidingen in stand te houden, is het noodzakelijk dat de beschikbare deskundigheid flexibel ingezet kan worden. Nu is het bijvoorbeeld vaak moeilijk om de expertise van een medewerker buiten de eigen eenheid in te zetten.
8. Hoe gaat de aanstelling van wetenschappelijk personeel in z’n werk?
De aanstelling van nieuw wetenschappelijk personeel is een zaak van het betrokken instituut en de directeur. Deze heeft als verantwoordelijkheid te zorgen dat de onderzoeksbelangen, mede gedefinieerd vanuit de band daarvan met het onderwijs, op een juiste manier gewogen worden. Ook de programma’s, en dus de programmadirecteuren, spelen daarbij een rol: nieuw aan te stellen wetenschappelijk personeel moet een bijdrage aan het onderwijs kunnen leveren.
9. Heeft aanstelling bij een instituut niet als risico dat de motivatie van medewerkers voor “hun” programma vermindert?
Tijdens de bijeenkomsten kwam de vrees naar voren dat door het wegvallen van de opleiding als organisatorische en personeelseenheid de motivatie van de stafleden voor hun ‘programma’ zou kunnen verminderen. Ook in de nieuwe organisatie blijft er een academic community van staf en de opleidingsdirecteuren die samen de zorg hebben voor een bepaald (under)graduate programma. Winst kan zijn dat leden van de wetenschappelijke staf de mogelijkheid krijgen om in meer van dit soort verbanden te functioneren; zusterfaculteiten kennen vaak al zo’n structuur die inspirerend blijkt te werken.
10. Waarom is er gekozen voor vier disciplinaire instituten?
Binnen de Faculteit der Letteren is in zowel onderzoek als onderwijs de disciplinaire invalshoek – taatwetenschap, literatuurwetenschap, geschiedenis en kunstgeschiedenis – van groot belang. Daarom is gekozen voor een disciplinaire ordening van medewerkers èn onderzoek. Dit vormt weer een stevige en noodzakelijke basis voor multi- en interdisciplinaire initiatieven. De instituten vervullen hun rol vooral op graduate niveau.
11. Waarom komen er een of twee regio-instituten naast de vier disciplinaire instituten?
Voor een aantal letterenmedewerkers bieden de vier disciplinaire instituten geen zinvol onderdak Bij de verzorging van de programma’s waarvoor de staf in een regio-instituut is ondergebracht, zijn ook medewerkers met een andere disciplinaire achtergrond – godsdienstwetenschap, wijsbegeerte, sociale wetenschappen, rechtswetenschap, archeologie, enz. – betrokken. Naast de disciplinaire oriëntatie bestaat aan onze faculteit met name bij Niet-Westerse programma’s een bloeiende en profielbepalende traditie waarbij deze verschillende benaderingen uit de klassieke letterendisciplines en uit andere nauw verweven zijn, soms in de persoon van een en dezelfde medewerker. Vandaar dat er regio-instituten worden voorgesteld.
12. Waar worden taalvaardigheidsdocenten aangesteld?
Ook taalvaardigheidsdocenten worden aangesteld bij een instituut. De instituten bieden een goed academisch kader voor ontwikkelingen en een adequate kwaliteitszorg voor taalvaardigheids- onderwijs.
13. Hoe moeten onze (aanstaande) studenten de weg vinden naar onze (under)graduate programma’s?
De facultaire organisatie heeft tot doel allereerst intern te regelen dat de processen van onderwijs en onderzoek goed en doelmatig kunnen verlopen. Voor de buitenwereld is weinig relevant hoe dat precies gebeurt.
Via het web, brochures, voorlichtingsdagen enz. worden de undergraduate en graduate programma’s bekend gemaakt, uiteraard afgestemd op verschillende en specifieke doelgroepen, en op doelgroepen in Nederland en verschillende buitenlanden.
Rond de programma’s zullen zich in de nieuwe organisatie groepen van docenten vormen die samen de academic community van dat programma vormen en het een gezicht zullen geven. Dit is ook de groep met wie studenten zich kunnen identificeren en die voor hen het programma vertegenwoordigt.
14. Wat zijn de gevolgen voor de positie van promovendi?
De discussie over de facultaire organisatie staat los van de ontwikkeling van een Ph.D-programma. Door middel van een dergelijk Ph.D.-programma’s wordt aio’s en promotiestudenten (promoverenden met een externe beurs, eigen middelen, enz.) een gestructureerd programma voor hun opleiding tot onderzoeker aangeboden. Aan de status van deze werknemers (aio’s) dan wel studenten (andere promoverenden) verandert niets.
15. Wat zijn de gevolgen voor de ondersteunende organisatie en hoe krijgt deze concreet vorm?
De huidige voorstellen, zie elders in deze Forum – richten zich nog vrijwel uitsluitend op de organisatie voor onderwijs en onderzoek.
Het ondersteunend en beheerspersoneel (decentrale eenheden, faculteitsbureau) heeft als eerste taak het onderwijs en/of onderzoek te ondersteunen; het vormt de ondersteunende organisatie. Hoe deze het best ingericht kan worden, kan pas duidelijk worden als de structuur voor de organisatie van onderwijs en onderzoek een definitieve vorm heeft. Op dit moment wordt er gewerkt aan een plan. Dit plan moet allereerst duidelijk maken hoe de ondersteunende organisatie eruit gaat zien en hoe de omvorming van bestaande naar nieuwe organisatie zal plaatsvinden. Het bestuur wil de facultaire medewerkers hierbij betrekken door vertegenwoordiging in de projectgroep die de plannen maakt en de overgang gaat realiseren als in de groep die de rol van klankbord gaat vervullen voor deze projectgroep. Dit najaar wil het faculteitsbestuur een besluit te nemen over de structuur van de ondersteunende organisatie (decentraal en centraal).
16. Betekent deze andere inrichting van de facultaire organisatie een reorganisatie (in formele zin)?
Of de andere inrichting van de facultaire organisatie met een formele reorganisatie gepaard gaat, is op dit moment nog onduidelijk. Op korte termijn zal het faculteitsbestuur met de deskundigen op het bureau van de universiteit nagaan of er van een reorganisatie sprake zal zijn. Als dit het geval is, dan zal het faculteitsbestuur uiteraard daarbij alle voorgeschreven procedures, onder andere de raadpleging van de faculteitsraad als dienstcommissie voor het personeel en overleg met de vakbonden, zorgvuldig in acht nemen.
Inhoudsopgave Forum 7e jaargang, nummer 3