De kunst van overheersing zonder repressie

Hoe kregen de Arabieren het voor elkaar om gedurende 300 jaar een enorm, op islamitische leest geschoeid, rijk in stand te houden? Arabist Petra Sijpesteijn en haar team bestuderen dit, gesteund door een ERC Consolidator Grant, de komende vijf jaar. Ze doen dit aan de hand van correspondentie van gewone mensen.

Moeilijk te controleren

Na de dood van Mohammed in 632 wisten zijn opvolgers het Arabische rijk uit te breiden tot een omvang die het gebied tussen de Atlantische Oceaan en India bestreek. Een enorm gebied om te controleren, zeker omdat het een enorme etnische, taalkundige en religieuze verscheidenheid kende. Toch bleef het driehonderd jaar intact. Hoe kregen de Arabieren dat voor elkaar?


Waardensysteem

Sijpesteijn wil weten wat het Islamitische rijk bij elkaar hield. Over dat rijk, in de periode van 600 tot 1000 n. Chr., is al veel bekend. Maar die kennis betreft de bovenlaag van de samenleving. Wat zij wil weten is hoe het dagelijks leven van de overwonnen volken was onder het bewind van de Arabieren. En hoe de moslims erin slaagden alle verschillende etnische, taalkundige en religieuze groepen aan boord te houden door hen deel te laten uitmaken van het rijk. Opstanden waren er wel maar niet zodanig dat die tot afscheiding leidden.

Belasting heffen

Bekend is al dat de Arabieren belasting hieven onder christenen, joden en bekeerlingen - die werden als moslim niet voor vol aangezien. Met de betalingen kochten ze als het ware de godsdienstvrijheidaf. De moslims waren óók belastingplichtig. Zij betaalden de aalmoezenbelasting; één van de vijf zuilen van de islam is schenken aan de armen en minder bedeelden. Er werd flink gediscussieerd over wie de belasting moest innen en zorg moest dragen voor de herverdeling, de overheid of belastingplichtigen zelf. Lokale belangen stonden hier tegenover centrale, maar juist die discussie leidde uiteindelijk tot een gedeelde interesse die weer bijdroeg tot de solidariteit binnen het rijk.

Nieuw materiaal

De tijd is rijp voor haar onderzoek, vindt Sijpesteijn. 'Er zijn de laatste jaren heel veel brieven en fragmenten opgedoken uit de tijd van het Islamistische Rijk, met name in Egypte, Afghanistan en Iran. Gevonden op vroegere vuilnisbelten in droge delen van deze landen. Droogte is ideaal om het materiaal intact te houden. Nu irrigatietechnieken steeds verder oprukken, komen die vuilnisbelten én de teksten bloot te liggen. Vaak zijn het brieven van gewone mensen aan hogergeplaatsten om iets voor elkaar te krijgen. Met name de argumenten die worden gebruikt weerspiegelen een bepaald waardensysteem. Dat heeft ook met sociale verwachtingen te maken. Net zoals nu worden argumenten ingezet waarvan men effect verwacht.'

Garnizoenssteden

Ook is bekend dat garnizoenen die een gebied hadden veroverd, daar in een legerkamp bleven om er zeker van te zijn dat het onder Arabisch bewind bleef. Vrouwen en kinderen kwamen gewoon mee en woonden ook in het kamp. Soldaten ontvingen soldij uit de belastingen. Aangezien iedereen op zijn minst voedsel en kleding nodig had, bloeide de lokale economie op. Zeker toen daardoor ook handelaren van buiten de garnizoenssteden hun weg naar de legerkampen wisten te vinden.
'De opvatting is dat de Arabieren maar wat deden', zegt Sijpesteijn, 'maar ik geloof dat niet. Ik denk dat ze, naast goede politici en krijgsheren ook goede organisatoren waren. Ze moeten al die groepen mensen op de een of andere manier zonder repressie meegekregen hebben.’

Voorbeelden

Ze noemt een paar voorbeelden van brieven. 'Een moeder schrijft een bestuurder na de gevangenneming van haar zoon. Naast God is er niemand tot wie ik me kan wenden behalve tot u... De briefschrijver stelt de aangeschrevene dus bijna naast God om hem tot hulp te vermurven. En dan is er een brief van iemand die zelf gevangen zit. Die vraagt de gouverneur nog eens naar zijn zaak te kijken. Ik werk dag en nacht om mijn vrouw, mijn kinderen en mijn slaven te onderhouden en toch lukt dat niet. Deze persoon verwacht dat zijn harde werken op het gemoed van de gouverneur zal inwerken.’

Eigentijdse brieven

Soms zijn de brieven verrassend eigentijds. Het zijn veelal de vrouwen die schrijven - of laten schrijven, dat gebeurde ook. Weduwen met kinderen, of gezinnen met kinderen die aandacht vragen voor hun precaire situatie. We hebben geen kleren om aan te trekken en er is geen korrel graan in huis. 'Ik dacht meteen: dat klinkt toch wat overdreven', zegt Sijpesteijn, ‘maar het is natuurlijk ook retorisch bedoeld.’ Opvallend is ook een brief van de kalief aan een kamerheer die kennelijk de kuierlatten heeft genomen. De kalief wil graag dat hij terugkomt. Ik heb je zo vaak geholpen. Sijpesteijn: 'De kalief had ook kunnen dreigen: als je niet terugkomt laat ik je kop eraf hakken. Dat kwam in die tijd met enige regelmaat voor. Hoe mensen elkaar probeerden te overtuigen, iets gedaan probeerden te krijgen, zegt iets over wat mensen van elkaar verwachtten, hoe ze de samenleving ingericht hadden en hoe men zich daarin gedragen moest. Die wederzijdse verwachtingspatronen en het gedrag dat daaruit voortkwam, hield mijns inziens de samenleving bijeen.’

Genoeg voor vijf jaar onderzoek

Sijpesteijn is in januari begonnen aan haar onderzoek waarin ook drie promovendi en twee postdocs meewerken. Ze kan in de Leidse universiteitsbibliotheek terecht, die heeft een kleine collectie brieven. Grotere zijn te vinden in Berlijn en Wenen. In sommige landen, zoals Afghanistan en Iran, is de toegang tot het materiaal lastiger. Ze wil naar Egypte om zelf een opgraving bij te wonen. Maar haar bureau ligt ook gewoon vol met schijfjes waar materiaal van allerlei herkomst op staat. Er is genoeg voor vijf jaar mooi onderzoek.

Laatst Gewijzigd: 23-03-2017