Reglement

Reglementen van het Leiden University Centre for the Arts in Society (LUCAS), zoals vastgesteld op 21 december 2010

Hoofdstuk 1: Algemeen

Artikel 1. Naam van het instituut

Het instituut draagt de naam: “Leiden University Centre for the Arts in Society” (LUCAS).


Artikel 2. Begripsomschrijvingen

1. In dit reglement wordt verstaan onder de wet: de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).
2. De in dit reglement voorkomende begrippen hebben overigens, indien die begrippen ook voorkomen in de wet onderscheidenlijk in het bestuurs- en beheersreglement, de betekenis die de wet onderscheidenlijk het genoemde reglement daaraan geeft.


Hoofdstuk 2: Wetenschappelijk directeur

Artikel 3.

1. Het instituut staat onder leiding van een wetenschappelijk directeur.

2. De wetenschappelijk directeur wordt, gehoord de Raad van Advies en de instituutsraad, benoemd en ontslagen door het faculteitsbestuur. Het faculteitsbestuur doet van elke benoeming en elk ontslag van een wetenschappelijk directeur mededeling aan het College van Bestuur.

3. De wetenschappelijk directeur wordt voor ten hoogste vier jaar benoemd uit de hoogleraren die in het instituut werkzaam zijn. Herbenoeming is mogelijk.  


Artikel 4. Verantwoordelijkheden wetenschappelijk directeur

1. De wetenschappelijk directeur is belast met het bestuur en de inrichting van het instituut. De wetenschappelijk directeur voert zijn taak uit binnen de kaders van het faculteitsreglement (en de op grond daarvan vastgestelde richtlijnen) en de mandaatregeling voor wetenschappelijk directeuren van instituten.

2. De wetenschappelijk directeur is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de door het instituut geleverde bijdragen aan het onderwijs van de onderscheiden bachelor- en masteropleidingen alsmede voor de kwaliteit van de promotieprogramma’s en van het door het instituut verrichte onderzoek.

3. De wetenschappelijk directeur is verantwoordelijk voor het beheer van het instituut. Hij stelt met inachtneming van de ter zake door het faculteitsbestuur gegeven richtlijnen de begroting van het instituut vast. Hij oefent met betrekking tot het instituut de hem door het faculteitsbestuur doorgemandateerde bevoegdheden inzake het personele, financiële en overige beheer uit met inachtneming van het ter zake bepaalde in het bestuurs- en beheersreglement, de voor het faculteitsbestuur geldende mandaatregeling en de door het faculteitsbestuur vastgestelde nadere mandaatregeling bedoeld in artikel 6, tweede lid van het faculteitsreglement.

4. De wetenschappelijk directeur werkt mee aan het bestuur van de faculteit als geheel en neemt daartoe deel aan het in artikel 6, vierde lid, van het faculteitsreglement bedoelde overleg dat het faculteitsbestuur met de wetenschappelijk directeuren gezamenlijk pleegt, onverminderd het overleg dat het faculteitsbestuur met de wetenschappelijk directeur pleegt over aangelegenheden die het instituut in het bijzonder betreffen.

5. De wetenschappelijk directeur vertegenwoordigt het instituut binnen de faculteit en buiten de faculteit. Hij onderhoudt de relaties met de alumni van de opleidingen en programma’s op het gebied van het instituut.

6. De wetenschappelijk directeur bevordert de samenwerking tussen het instituut en de andere instituten binnen de graduate school alsmede de samenwerking tussen deze instituten en de overige instituten binnen de universiteit, zowel op het gebied van het onderwijs als het onderzoek.

7. De wetenschappelijk directeur is, met inachtneming van de universitaire en facultaire kaders, verantwoordelijk voor de vormgeving van de samenwerking op het gebied van onderwijs en onderzoek in landelijke graduate schools alsmede in landelijke onderzoekinstituten en onderzoekscholen.

8. De wetenschappelijk directeur is verantwoording verschuldigd aan de decaan. Hij verstrekt de decaan de gevraagde inlichtingen.

9. De wetenschappelijk directeur voert regelmatig overleg met hoofden der scholen van het instituut.


Artikel 5. Vervanging bij afwezigheid

De wetenschappelijk directeur voorziet in zijn vervanging bij afwezigheid.  

Artikel 6. Besluiten

De wetenschappelijk directeur brengt regelmatig een overzicht van de door hem genomen besluiten ter kennis van de hoofden der scholen van het instituut, de Raad van Advies alsmede van de instituutsraad, tenzij zwaarwegende belangen van de universiteit, de faculteit of van de bij een aangelegenheid betrokkenen zich hiertegen verzetten.  

Hoofdstuk 3: De Scholen

Artikel 7.

Het instituut bestaat uit twee scholen: de School voor Literatuur, Film & Mediastudies en de School voor Kunstgeschiedenis.  

Artikel 8. Hoofden der scholen

1. Een school wordt, met inachtneming van de universitaire en facultaire kaders en de verantwoordelijkheden van de wetenschappelijk directeur, geleid door een hoofd der school.

2. Het hoofd der school wordt, gehoord de wetenschappelijk directeur, benoemd en ontslagen door het faculteitsbestuur.

3. Het hoofd der school wordt voor ten hoogste twee jaar benoemd uit de hoogleraren die in de school werkzaam zijn. Herbenoeming is mogelijk.

4. Het hoofd der school bevordert, met inachtneming van de universitaire en facultaire kaders en de verantwoordelijkheden van de wetenschappelijk directeur, de goede samenwerking van de leden van de school onderling, met leden van andere scholen en instituten en met andere partijen buiten de faculteit. Het hoofd van de school stimuleert leden van de school tot de ontwikkeling van aanvragen voor de verwerving van externe middelen voor onderzoek en onderwijs.

Hoofdstuk 4: De medewerkers

Artikel 9.

1. Op voorstel van de wetenschappelijk directeur bepaalt het faculteitsbestuur welke leden van het personeel werkzaam zullen zijn in het instituut. Het faculteitsbestuur houdt hierbij rekening met het benoemingsbesluit van betrokkenen.

2. Voor de toepassing van het eerste lid worden personen in dienst van de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek of soortgelijke organisaties, al naar gelang hun functie, gerekend tot het wetenschappelijk dan wel het ondersteunend- en beheerspersoneel. 


Artikel 10. Taakverdeling medewerkers instituut


1. De wetenschappelijk directeur is verantwoordelijk voor het personeelsbeleid ten aanzien van de personeelsleden die in het instituut werkzaam zijn.

2. De wetenschappelijk directeur regelt de werkzaamheden van degenen die in het instituut werkzaam zijn. Hij bepaalt daarbij voor elk van de universitaire hoofddocenten en universitaire docenten van welke hoogleraar de inrichting van zijn onderwijs en onderzoek de instemming behoeft, alsmede onder wiens toezicht elk van de andere leden van het instituut werkzaam is. De wetenschappelijk directeur bepaalt, in overeenstemming met de voorzitter van het desbetreffende opleidingsbestuur, wie van de leden van het wetenschappelijk personeel voor welke bacheloropleiding, onderscheidenlijk masteropleiding wordt ingezet en wie een bijdrage levert aan de verzorging van de goedgekeurde minoren en keuzepakketten.

3. Bij de regeling van de werkzaamheden bedoeld in het tweede lid, houdt de wetenschappelijk directeur rekening met het benoemingsbesluit van betrokkenen.

4. De wetenschappelijk directeur kan aanwijzingen geven aan degenen die tot het instituut behoren.

Artikel 11. Onderzoek

1. De wetenschappelijk directeur is belast met de organisatie en integratie van het onderzoek binnen het instituut. Hij stelt met inachtneming van de richtlijnen bedoeld in artikel 6, derde lid, het onderzoekprogramma van het instituut vast. Hij is jegens de decaan verantwoordelijk voor een goede uitvoering van dat programma.

2. De wetenschappelijk directeur is belast met het nakomen van het afgesproken aandeel van het instituut in de desbetreffende interfacultaire of interuniversitaire onderzoekschool.  

Hoofdstuk 5: Inspraak

Artikel 12. De Raad van Advies

1. Aan een instituut is een Raad van Advies verbonden.

2. De Raad van Advies bestaat uit een oneven aantal leden en heeft een omvang van minimaal vijf en maximaal dertien leden.

3. Het lidmaatschap van de Raad van Advies is onverenigbaar met de functie van wetenschappelijk directeur.

4. De wetenschappelijk directeur voert regelmatig overleg met de Raad van Advies over de aangelegenheden het instituut betreffende.

5. De leden van de Raad van Advies worden uit de medewerkers van het instituut benoemd door de decaan op voordracht van de wetenschappelijke directeur. De decaan vergewist zich hierbij van een evenwichtige en representatieve samenstelling van de Raad van Advies. De leden van de Raad worden voor twee jaar benoemd. Herbenoeming is mogelijk. 


Artikel 13. Voorstellen

1. De Raad van Advies is bevoegd voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken over alle aangelegenheden, waarin de wetenschappelijk directeur bevoegd is een besluit te nemen.

2. De wetenschappelijk directeur brengt binnen zes weken een met redenen omklede reactie uit op een voorstel, als bedoeld in het eerste lid. De wetenschappelijk directeur stelt de instituutsraad tevoren in de gelegenheid met hem te overleggen.  


Artikel 14. Inlichtingen

1. De wetenschappelijk directeur verstrekt de Raad van Advies tijdig en desgevraagd - indien mogelijk - schriftelijk de inlichtingen over de gang van zaken in het instituut welke de raad behoeft voor de vervulling van zijn taak.

2. De Raad van Advies ontvangt ten minste eenmaal per jaar inlichtingen over:

- de organisatie van het instituut,
- het vastgestelde beleid van het instituut,
- het in het afgelopen jaar gevoerde beleid,
- de ontwikkeling van de personele bezetting,
- de door de wetenschappelijk directeur gegeven externe adviesopdrachten.  


Artikel 15. Advies

De wetenschappelijk directeur wint tijdig het advies van de raad in alvorens een besluit te nemen over:

- de begroting van het instituut,
- een reorganisatie van het instituut of een onderdeel daarvan,
- structurele samenwerking met partners in of buiten het instituut,
- het onderzoeksbeleid,
- de nadere regeling van en het beleid met betrekking tot de zorg voor de kwaliteit van het onderzoek in het instituut, alsmede
- over het meerjarenplan.  


Artikel 16. Overige taken Raad van Advies

1. De Raad van Advies bevordert naar vermogen openheid, openbaarheid en onderling overleg in het instituut.

2. De Raad van Advies waakt in het instituut tegen discriminatie op welke grond dan ook en bevordert in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en allochtonen.  


Artikel 17. De Instituutsraad

1. Aan een instituut is een instituutsraad verbonden.

2. De wetenschappelijk directeur voert ten minste twee maal per jaar overleg met de instituutsraad over de aangelegenheden het instituut betreffende.

3. Tot de instituutsraad behoren alle medewerkers van het instituut. 


Artikel 18. De Promovendiraad

1. Het instituut kent een promovendiraad ten behoeve van het overleg met en advisering aan de wetenschappelijk directeur over alle aangelegenheden de opleiding en begeleiding van promovendi van het instituut betreffend.

2. De promovendiraad telt 5 leden. De tot het instituut behorende promoveni kiezen uit hun midden de leden van de promovendiraad. De zittingstermijn van de leden van de raad is twee jaar; de eerste termijn loopt van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010.

3. De promovendiraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een secretaris.

4. De promovendiraad vergadert tenminste tweemaal per jaar.

5. De promovendiraad kan gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen aan de wetenschappelijk directeur over zaken die de opleiding en de begeleiding van promovendi betreffen.

6. De promovendiraad organiseert activiteiten die de uitwisseling van ervaringen en ideeën tussen de promovendi van het instituut bevorderen. 


Hoofdstuk 6: Promotieprogramma's

Artikel 19. Promotieprogramma’s

1. De wetenschappelijk directeur besluit uit naam en onder verantwoordelijkheid van de decaan omtrent toelating tot een promotieprogramma. Hij neemt hierbij de desbetreffende in artikel 11, vierde lid, van het faculteitsreglement bedoelde nadere regeling in acht.

2. Namens de decaan ziet de wetenschappelijk directeur erop toe dat voor ieder die tot een promotieprogramma is toegelaten, door de desbetreffende promotor een opleidings- en begeleidingsplan wordt vastgesteld.

3. Het opleidings- en begeleidingsplan wordt zodanig ingericht dat het promotieprogramma binnen de overeengekomen periode met een promotie kan worden afgerond.

4. Binnen de graduate school wordt voorzien in een of meer vertrouwenspersonen ten behoeve van degenen die tot een promotieprogramma zijn toegelaten.

5. Het bepaalde in de voorgaande leden is van overeenkomstige toepassing op bij het instituut geregistreerde buitenpromovendi.

Hoofdstuk 7: Planning en controle

Artikel 20. Strategisch meerjarenplan en planningcijfers

1. De wetenschappelijk directeur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar, na overleg met de hoogleraren van zijn instituut, een strategisch meerjarenplan vast. Het houdt hierbij rekening met het vigerende instellingsplan en het strategisch plan van de faculteit.

2. Het plan behelst met betrekking tot de periode van vier jaar in ieder geval: de voornemens met betrekking tot de onderscheiden taken van het instituut en een meerjarenraming van de middelen van het instituut.

3. Het plan omvat een personeelsplan.

4. De wetenschappelijk directeur stelt het Faculteitsbestuur jaarlijks een prognose ter beschikking van relevante planningcijfers ten behoeve van de facultaire begroting.  


Artikel 21. Begroting en financiële verantwoording

1. De wetenschappelijk directeur stelt jaarlijks op basis van het strategisch meerjarenplan, na overleg met de Raad van Advies, een meerjarige begroting vast met inachtneming van de richtlijnen van het Faculteitsbestuur.

2. De wetenschappelijk directeur stelt een maal per kwartaal een verantwoording op met betrekking tot de inkomsten en de uitgaven. In deze verantwoording wordt aangegeven wat de verwachte financiële cijfers voor het desbetreffende jaar zijn. Daarnaast wordt aangegeven welke maatregelen zijn genomen ten einde uit te komen overeenkomstig de begroting. De financiële verantwoording van het laatste kwartaal dient tevens als financiële verantwoording voor het gehele jaar.  


Artikel 22. Hantering kwaliteitszorg

1. De wetenschappelijk directeur ziet erop toe dat binnen het instituut uitvoering wordt gegeven aan de door het Faculteitsbestuur vastgestelde kaders en protocollen met betrekking tot de inrichting en hantering van de kwaliteitszorg voor het onderzoek in het instituut.

2. De wetenschappelijk directeur is ervoor verantwoordelijk dat het Faculteitsbestuur regelmatig beschikt over rapportages over zowel het functioneren van de kwaliteitszorg als de gerealiseerde kwaliteit van het onderzoek in het instituut. De wetenschappelijk directeur brengt deze rapportages ter kennis van de Raad van Advies.

3. Op grond van de rapportages bedoeld in het tweede lid, stelt de wetenschappelijk directeur, de Raad van Advies gehoord hebbende, een plan van aanpak op ter verbetering van eventueel in de rapportages naar voren gekomen tekortkomingen in de kwaliteit van het onderzoek.

Hoofdstuk 8: Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 23. Interpretatie

Bij verschil van mening over de interpretatie van één of meer artikelen van dit reglement beslist de wetenschappelijk directeur.  


Artikel 24. Citeertitel

Dit reglement kan worden aangehaald als het "Reglement van het Leiden University Centre for the Arts in Society" (LUCAS).

Artikel 25. Inwerkingtreding en publicatie

1. Dit reglement treedt in werking met ingang van de dag waarop de goedkeuring door het Faculteitsbestuur ter kennis van de wetenschappelijk directeur is gebracht.

2. Dit reglement wordt na de in het eerste lid bedoelde goedkeuring gepubliceerd op de universitaire website.

Laatst Gewijzigd: 02-07-2014